ECLI:NL:GHARN:2003:AF5050

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
4 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02-00947
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.B.H. Röben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van belastingaanslag inkomstenbelasting 1999 na bezwaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1999. De kern van het geschil betrof het arbeidskostenforfait, waarbij de wetgever een onderscheid maakt tussen inkomsten uit tegenwoordige arbeid en uit vroegere arbeid. Het hof oordeelde dat dit onderscheid objectief en redelijk is en niet leidt tot verboden discriminatie.

Belanghebbende kon niet aantonen dat zijn aftrekbare kosten hoger waren dan het forfaitaire bedrag van f 1.055. Ook werd geen bewijs geleverd voor aftrek van kosten met betrekking tot zijn personal computer als giften. Tijdens de zitting liet belanghebbende zijn grief over de rente-bijtelling vallen. De inspecteur stelde dat de aanslag eerder te laag dan te hoog was vastgesteld vanwege fouten bij de berekening van drempels.

Het hof concludeerde dat het beroep van belanghebbende ongegrond is en bevestigde de bestreden uitspraak. Er werden geen proceskosten toegewezen omdat daarvoor geen gronden aanwezig waren. De uitspraak werd mondeling gedaan en schriftelijk vastgelegd op verzoek van partijen.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 1999 en verklaart het bezwaar ongegrond.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
vijfde enkelvoudige belastingkamer
nummer 02/00947 (inkomstenbelasting)
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : Inspecteur/Belastingdienst Particulieren [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1999
mondelinge behandeling : op 21 januari 2003 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]
gronden:
1. Het onderscheid dat de wetgever heeft gemaakt in de hoogte van het arbeidskostenforfait bij aanwezigheid van inkomsten uit tegenwoordige arbeid (forfait f 3.174) en inkomsten uit vroegere arbeid (forfait f 1.055) gaat uit van de veronderstelling, dat op de inkomsten van hen die nog werken meer kosten van verwerving drukken dan op de inkomsten van hen die niet meer werken. Dit vormt een onderscheid dat berust op objectieve en redelijke gronden. Van verboden discriminatie in strijd met enige rechtsregel is geen sprake.
2. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat zijn voor aftrek in aanmerking komende kosten hoger zijn dan het bedrag van f 1.055.
3. Belanghebbende heeft in dit geding met betrekking tot de kosten van zijn PC geen bewijs geleverd voor de stelling dat sprake zou zijn van voor aftrek in aanmerking komende giften.
4. Ter zitting heeft belanghebbende zijn grief inzake de bijtelling van rente laten varen.
5. De Inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de aanslag, in verband met fouten van de fiscus bij de berekening van de drempels voor buitengewone lasten en giften, eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.
slotsom:
Het beroep van belanghebbende is niet gegrond.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2003 door mr Röben, vice-president, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Jansen, als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(D.N.N. Jansen) (J.B.H. Röben)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 februari 2003
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.