ECLI:NL:GHARN:2002:AE9077

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
25 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01-02418
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.J. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a Algemene wet inzake rijksbelastingenBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998Voorschrift administratieve boeten 1993
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete inkomstenbelasting na onjuiste vertrouwensgrondslag

Belanghebbende stelde dat een medewerker van de Belastingdienst hem telefonisch had verzekerd dat hij niet strikt hoefde te voldoen aan de uiterste datum voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting 1999. Het hof oordeelde dat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt en dat het te laat indienen van de aangifte op 3 oktober 2000 een verzuim opleverde conform artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Verder stond vast dat belanghebbende ook in de jaren 1996, 1997 en 1998 verzuimen had begaan, maar alleen voor 1998 was een boete opgelegd. Het hof stelde dat de Inspecteur alleen gevolgen aan eerdere verzuimen mag verbinden als belanghebbende tijdig en duidelijk op de hoogte is gesteld, wat hier niet het geval was voor 1996 en 1997.

Daarom werd het verzuim voor 1999 als het tweede verzuim aangemerkt en de boete vastgesteld op €150. Het hof vond deze boete passend en geboden, ondanks dat de echtgenote van belanghebbende voor hetzelfde jaar een lagere boete had gekregen. Het beroep van belanghebbende werd deels gegrond verklaard, de boete verminderd en de proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De verzuimboete inkomstenbelasting 1999 wordt verminderd tot €150 en de proceskosten worden aan belanghebbende toegekend.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
vierde enkelvoudige belastingkamer
nummer 01/02418
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren [P]
aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 29 augustus 2001 op bezwaar
inzake : beschikking verzuimboete
bij : aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
nummer : [01.H96]
jaar : 1999
mondelinge behandeling : op 11 september 2002 te Arnhem door mr. Matthijssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. Gankema als griffier
waarbij verschenen : belanghebbende en [de Inspecteur]
gronden:
1. Tegenover de betwisting door de Inspecteur maakt belanghebbende niet aannemelijk dat, zoals hij stelt, een medewerker van de Belastingdienst te [P] in september 2000 telefonisch uitlatingen heeft gedaan waaraan belanghebbende in redelijkheid een, rechtens bescherming verdienend, vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij niet strikt behoefde te voldoen aan de hem bij aanmaning gestelde uiterste datum van 27 september 2000 voor het indienen van het aan hem uitgereikte aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.
2. Door het aangiftebiljet pas op 3 oktober 2000 in te dienen beging belanghebbende een verzuim als bedoeld in artikel 67 a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3. Vast staat dat belanghebbende ook reeds met het indienen van de aangiftebiljetten voor de zelfde heffingen voor de jaren 1996, 1997 en 1998 in verzuim was geweest. Alleen met betrekking tot het jaar 1998 is aan belanghebbende een boete (ƒ 50,-) opgelegd. Voor de jaren 1996, 1997, waarover geen positieve aanslagen zijn opgelegd, zijn conform de destijds geldende regels geen boetes opgelegd. Voor de jaren 1996 en 1997 is belanghebbende ook niet op andere wijze vanwege de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het feit dat hij in verzuim was.
4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) aan in voorafgaande belastingjaren gepleegde verzuimen slechts gevolgen voor de hoogte van de verzuimboete voor het onderhavige jaar mag verbinden, indien hij de belastingplichtige uiterlijk bij het opleggen van de aanslagen over de betreffende voorgaande jaren op de hoogte heeft gesteld van de constatering dat deze een verzuim heeft gepleegd en van de gronden waarop de Inspecteur deze constatering baseert.
5. Ook onder het Voorschrift administratieve boeten 1993 had de belastingplichtige tenminste op de hoogte moeten worden gesteld van gepleegde verzuimen, indien de Inspecteur aan die verzuimen voor latere jaren gevolgen wilde verbinden.
6. Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende voor het jaar 1999 geen vierde (zoals de Inspecteur meent) maar een tweede verzuim in de zin van paragraaf 21 van het BBBB 1998 heeft gepleegd. Nu de aanslag na verrekening van voorheffingen tot een negatief bedrag leidt (verweerschrift, pagina 3), dient de verzuimboete conform het BBBB 1998 te worden gesteld op ƒ 150,-.
7. Hieraan doet niet af dat voor het zelfde jaar ook aan belanghebbendes echtgenote voor een vergelijkbaar verzuim een boete van ƒ 50,- is vastgesteld (uitspraak van dit Hof van 16 juli 2002, nr. 01/01491 EK5). Het Hof acht een boete van ƒ 150,- in dit geval passend en geboden.
8. Het beroep van belanghebbende is ten dele gegrond.
proceskosten:
Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten fiscale procedures te berekenen op € 19,- (1 × reiskosten [Z]- Arnhem v.v.).
beslissing:
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;
- vermindert de boete tot € 68,07 (ƒ 150,-);
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 19,- te vergoeden door de Staat der Nederlanden;
- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 27,23 (ƒ 60,-), te vergoeden.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2002 door mr. Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Gankema als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(J.J. Gankema) (T.J. Matthijssen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 oktober 2002
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.