ECLI:NL:GHARN:2002:AE7586
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemerschap schapenhouderij voor inkomstenbelasting 1997
Belanghebbende was in 1997 zowel in loondienst als actief met een schapenhouderij. De kern van het geschil betrof de vraag of de schapenhouderij als een bron van inkomen, oftewel onderneming, kon worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting.
De inspecteur stelde dat de schapenhouderij in de jaren 1997 tot en met 2000 telkens verliesgevend was. Diverse rapporten van de Belastingdienst en vakliteratuur wezen op een structureel lage rentabiliteit in de sector, mede door lage prijzen en strengere mestregels. Hierdoor was het volgens het hof redelijk dat belanghebbende het bewijs leverde dat er toch toekomstig voordeel te verwachten was.
Belanghebbende bracht een bedrijfsplan in, opgesteld door een bedrijfskundige, dat de haalbaarheid van de schapenhouderij zou aantonen. Het hof oordeelde echter dat dit plan was gebaseerd op een veel grotere bedrijfsvoering dan feitelijk mogelijk was, mede door een milieuvergunning die het houden van maximaal 200 dieren toestond terwijl het plan uitging van 500 dieren.
Daarmee slaagde belanghebbende er niet in het vereiste bewijs te leveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigde de uitspraak van de inspecteur en wees een kostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de inspecteur bevestigd.