ECLI:NL:GHARN:2002:AE4766
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Van Kuijck
- Buyne
- Dee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging voorlopige hechtenis na vernietiging arrest Hoge Raad
Het Gerechtshof Arnhem behandelde op 27 juni 2002 de vordering van de advocaat-generaal tot verlenging van de voorlopige hechtenis van verdachte. Verdachte was eerder veroordeeld door de rechtbank Groningen voor medeplegen van doodslag tot twaalf jaar gevangenisstraf, maar in hoger beroep door het hof Leeuwarden vrijgesproken. De advocaat-generaal stelde beroep in cassatie in, waarna de Hoge Raad het arrest vernietigde en de zaak terug verwees naar het hof Arnhem.
De advocaat-generaal vorderde verlenging van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 75, achtste lid, Wetboek van Strafvordering, omdat het eerdere bevel tot voorlopige hechtenis zou herleven door de vernietiging. Het hof overwoog echter dat de vernietiging van het arrest en daarmee ook de opheffing van de voorlopige hechtenis niet automatisch leidt tot herleving van het oorspronkelijke bevel. Voor verlenging van de voorlopige hechtenis is een nieuw bevel vereist.
Het hof concludeerde dat de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis daarom moet worden afgewezen. Verdachte en diens raadsman waren niet gehoord, maar het hof achtte dat niet noodzakelijk omdat de vordering wordt afgewezen. De beslissing werd genomen conform artikel 75 Wetboek Pro van Strafvordering.
Uitkomst: De vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis van verdachte is afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis.