ECLI:NL:GHARN:2002:AE4110
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-in aanmerking nemen waarde verlofuren als buitengewone last bij ziekte echtgenote
Belanghebbende nam in 1998 21 dagdelen verlof op om zijn ernstig zieke echtgenote te verzorgen. Hij berekende de tegenwaarde van deze verlofuren op basis van zijn jaarinkomen en gaf dit op als buitengewone last in zijn belastingaangifte. De Inspecteur nam deze waarde niet in aanmerking, omdat er geen daadwerkelijke uitgaven waren gedaan en er geen vermogensvermindering had plaatsgevonden.
Het hof oordeelt dat de waarde van opgenomen verlofuren niet als uitgaven ter zake van ziekte kan worden aangemerkt, mede omdat artikel 46 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 limitatief opsomt welke uitgaven als buitengewone lasten gelden en opgenomen verlof hier niet onder valt. Het beroep van belanghebbende wordt verworpen.
Belanghebbende voerde aan dat bij collega's van andere inspecteurs wel rekening werd gehouden met de waarde van verlofuren, maar het hof stelt dat dit geen aanleiding is tot afwijking vanwege het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van landelijk beleid of afspraken.
Ook het feit dat bij een latere aanslagregeling over 2000 de aangifte wel werd gevolgd, leidt niet tot een rechtsgeldig vertrouwen dat de Inspecteur ook voor eerdere jaren de waarde van verlofuren zou erkennen.
Het hof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur en ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de waarde van opgenomen verlofuren niet als buitengewone last kan worden aangemerkt bij ziekte van de echtgenote.