ECLI:NL:GHARN:2002:AE3368
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.M. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premievervangende aanslag inkomstenbelasting voor gemoedsbezwaarde ondernemer
Belanghebbende, een sinds 1991 zelfstandig ondernemer en geregistreerd als gemoedsbezwaarde, werd ontheven van de verzekeringsplicht op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAZ). Desondanks werd hem een premievervangende aanslag inkomstenbelasting opgelegd over 1998, welke hij betwistte omdat hij principieel geen gebruik wenst te maken van de WAZ-uitkeringen. Hij stelde dat deze regeling in strijd is met zijn grondrechten op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en dat er sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van vergelijkbare regelingen binnen de AOW en WAO.
Het Hof oordeelt dat het nadeel voor belanghebbende beperkt blijft tot het mede financieren van een verzekering waar hij geen aanspraak op maakt, zonder dat zijn fundamentele vrijheden worden beperkt. De verschillen tussen de WAZ, AOW en WAO zijn van dien aard dat er geen sprake is van gelijke gevallen en dus geen discriminatie. De regeling is democratisch tot stand gekomen en heeft een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Het Hof verwijst naar een eerder arrest van de Hoge Raad waarin werd bevestigd dat het niet mogelijk is zich op grond van godsdienstige overtuiging te onttrekken aan wettelijke voorschriften zoals de premievervangende belasting. Er is geen reden om de regeling aan te passen aan de situatie dat een gemoedsbezwaarde geen aanspraak wil maken op uitkeringen. De uitspraak van het Hof is definitief en kan niet in cassatie worden aangevochten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de premievervangende aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.