ECLI:NL:GHARN:2002:AD9872
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging legesheffing voor bouwvergunning ondanks rechtswege verleende vergunning
Belanghebbende diende een aanvraag in voor een bouwvergunning bij het college van B en W van de gemeente Doetinchem. Omdat het college niet binnen de wettelijke termijn besliste, werd de vergunning van rechtswege verleend op grond van artikel 46, vierde lid, van de Woningwet.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de legesheffing, maar verzocht niet om een hoorzitting. Het hof overwoog dat het niet verzoeken van een hoorzitting conform artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betekent dat er geen hoorzitting hoeft plaats te vinden.
Het hof stelde vast dat de aanvraag in behandeling was genomen en dat het belastbare feit zich had voltrokken, ook al was de vergunning van rechtswege verleend en was de aanvraag niet getoetst aan het Bouwbesluit. Het hof verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad dat geen rechtstreeks verband vereist is tussen de hoogte van de leges en de omvang van de verleende diensten.
Het hof concludeerde dat de legesheffing terecht was en wees het beroep af. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door raadsheer F.J.P.M. Haas.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de legesheffing terecht is en verklaart het beroep ongegrond.