ECLI:NL:GHARN:2001:AF0557

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
9 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2001-141
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Maten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet ontvankelijkheid verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijke regeling

Verzoekers, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, hebben een schuldlast van circa fl.59.306,01 en een gezamenlijk inkomen waarbij verzoeker in loondienst circa fl.2.577,16 netto per maand verdient. De door de Stadsbank Oost-Nederland opgemaakte verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro vermeldt niet welke pogingen zijn gedaan om een minnelijke regeling met schuldeisers te treffen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaring onjuistheden bevat, onder andere omdat uit bijlagen blijkt dat verzoekers een aflossingscapaciteit van fl.113,25 hebben. Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat er een poging tot minnelijke regeling is gedaan, wat vereist is volgens artikel 285 lid 1 onder Pro e Faillissementswet.

De rechtbank oordeelt dat het minnelijke traject niet of niet naar behoren is uitgevoerd en dat de verklaring ten onrechte is afgegeven. Hierdoor voldoet het verzoekschrift niet aan de wettelijke eisen en worden verzoekers niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Verzoekers worden niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een minnelijke regeling.

Uitspraak

Het gerechtshof te Arnhem
Arrest gewezen inzake
X. en Y,
Beiden wonende te P.,
Appellanten,
Hierna te noemen: X. en Y,
Procureur mr. J. M. Bosnak
De beoordeling:
De rechtbank is van oordeel, dat verzoekers in hun verzoek niet ontvankelijk moeten worden verklaard Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende:
Uit de stukken en ter zitting is het volgende gebleken:
Verzoekers zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Verzoekers hebben een totale schuldlast van circa fl.59.306,01. Verzoeker verricht arbeid in loondienst en heeft een inkomen van circa fl.2.577,16 netto per maand. Door verzoekster wordt geen arbeid verricht.
In de door de Stadsbank Oost- Nederland tezamen met verzoekers opgemaakte verklaring ex artikel 285 Faillissementwet Pro staat niet vermeld welke pogingen zijn ondernomen om met de schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen. In de verklaring staat enkel vermeld dat de huidige aflossingcapaciteit de minnelijke regeling niet gelukt is.
De rechtbank is van oordeel dat het vermelde in de verklaring niet juist is. Uit productie 2 bij de verklaring blijkt immers dat de verzoekers een aflossingcapaciteit hebben van fl.113,25.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook indien verzoekers geen aflossingsmogelijkheden zouden hebben, zij toch, gelet op het bepaalde in artikel 285 lid 1 onder Pro e Faillissementswet, pogingen dienen te hebben om tot een minnelijke regeling met hun schuldeisers te komen, alvorens een verzoek tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in te dienen. Een van de doelstellingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling is immers buitengerechtelijke schuldsanering te vergemakkelijken en te bevorderen.
Verzoekers hebben ter zitting verklaard geen schriftelijk voorstel aan de schuldeisers te hebben gedaan om tot een minnelijke regeling te komen. Verzoekers verklaarden dat de Stadsbank de schuldeisers zou aanschrijven.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring onjuistheden bevat en met onvoldoende redenen is omgekleed, zodat de verklaring geweigerd dient te worden. Tevens is niet aannemelijk geworden dat er een minnelijke regeling is gepoogd met de schuldeisers Vorenstaande betekent dat het minnelijke traject niet, dan wel niet naar behoren is uitgevoerd, zodat de verklaring ex 285 lid 1 onder e Faillissementswet ten onrechte is afgegeven en aldus geweigerd dient te worden.
Nu gelet op het hier overwogene, een verklaring in het onderhavige geval moet worden geacht te ontbreken voldoet het verzoekschrift niet aan de daaraan in artikel 285 Faillissementswet Pro gestelde eisen, zodat de verzoekers niet ontvankelijk zullen worden verklaard in hun verzoek.
Hebben een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
De verzoeken zijn behandeld op de terechtzitting van 20 februari 2001, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
De beslissing
Verklaart verzoekers niet ontvankelijk in hun verzoek.
Gewezen door mr. Maten, lid van de genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 27 februari 2001 in tegenwoordigheid van mr. Marsman, griffier.