ECLI:NL:GHARN:2001:AD4763

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
4 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
0040/1999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Lamens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbaarheid proceskosten navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1993

Belanghebbende voerde aan dat proceskosten die hij in 1993 in mindering bracht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en die verband hielden met procedures tegen zijn schoonzuster en een arts, als zakelijke kosten aftrekbaar moesten zijn. Hij stelde dat deze kosten, aangezien ze niet als aftrekbare kosten werden erkend, als een nagekomen ondernemingsverlies moesten worden beschouwd.

De Inspecteur betwistte dit standpunt en stelde dat de kosten vooral verband hielden met privéomstandigheden, namelijk een verstoorde relatie met zijn dochter en kleinkinderen. Tijdens de mondelinge behandeling werd een compromis voorgesteld waarbij 19% van de geclaimde proceskosten over 1993-1995 aftrekbaar zou zijn, maar belanghebbende accepteerde dit niet.

Het hof oordeelde dat de kosten zozeer verweven waren met privéomstandigheden dat zij niet als zakelijke kosten konden worden aangemerkt. Daarbij maakte het hof duidelijk dat het mogelijke fiscale gevolg van een gunstige rechterlijke uitspraak hier niet tot een ander oordeel leidt.

Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. Er werd geen kostenveroordeling opgelegd omdat de voorwaarden daarvoor niet aanwezig waren.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de proceskosten niet aftrekbaar zijn omdat ze verband houden met privéomstandigheden.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
Zesde enkelvoudige belastingkamer
nummer 0040/1999
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : [X]
te : [Z]
ambtenaar :Inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen [P]
aangevallen beslissing :uitspraak op bezwaarschrift d.d. 27 november 1998
soort belasting :navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/­premie volksverzekeringen
jaar :1993
mondelinge behandeling :op 20 september 2001 te Arnhem door mr. Lamens, raadsheer, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier
waarbij verschenen :[belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur]
gronden:
1.1. Belanghebbende verwijt zijn schoonzuster dat zij uitlatingen heeft gedaan die - tezamen met een door de behandelend arts van zijn dochter aan die dochter gegeven advies - ertoe hebben geleid dat de relatie van belanghebbende met zijn dochter en kleinkinderen verbroken is. Belanghebbende meent dat hij door het verbreken van die relatie arbeidsongeschikt is geworden en dat hij daarom van een succesvol commissionair-handelaar in groenten en fruit na vele misslagen gedwongen is geweest zijn bedrijf in 1991 grotendeels te beëindigen.
1.2. Belanghebbende heeft in 1993 een bedrag van ƒ 29.542,66 aan proceskosten in mindering gebracht op de door de [A] Verzekeringen aan hem betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een bedrag van ƒ 18.509,-- houdt - zoals door de Inspecteur onweersproken is gesteld - verband met procedures die hij had aangespannen tegen (1) zijn schoonzuster, mevrouw [B] ( kosten ƒ 2.335,--) en tegen (2) de arts, de heer [C] (kosten ƒ 16.174,--). Belanghebbende heeft niet alle op de procedures betrekking hebbende stukken overgelegd. De procedures hebben gestrekt tot vergoeding van verlies aan arbeidskracht, immateriële schade en gederfde en nog te derven ondernemingswinst. Belanghebbende heeft de procedures verloren.
1.3. Belanghebbende stelt dat het door hem in 1993 als aftrekbare kosten op de uitkering in mindering gebrachte bedrag van ƒ 18.509,-- nu het bedrag - onbestreden- niet als aftrekbare koste is aanvaard, geheel als een nagekomen ondernemingsverlies moet worden beschouwd. De Inspecteur betwist dat.
1.4. Ter zitting is gepoogd om - uitsluitend ter beëindiging van het geschil - tot een compromis te komen. De Inspecteur heeft daar verklaard akkoord te willen gaan met de aftrek van 19% van de in de jaren 1993 tot en met 1995 geclaimde proceskosten. Belanghebbende heeft het aangeboden compromisvoorstel niet aanvaard
1.5. Een verstoorde relatie tussen een vader en dochter, met als gevolg dat die vader ook verstoken blijft van contact met de kleinkinderen is een omstandigheid die volledig gelegen is in de privé-sfeer. De door belanghebbende aangespannen procedures hebben in overwegende mate ten doel gehad de handelwijze van de arts en van de schoonzuster door een rechter te laten toetsen op hun rechtmatigheid. Privé-overwegingen spelen bij het voeren van die procedures een vooraanstaande rol. De uitgaven zijn daarom zozeer verweven met gebeurtenissen in de privé-sfeer dat niet meer kan worden gesproken van uitgaven die redelijkerwijs met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gemaakt.
1.6. De enkele omstandigheid dat bij een gunstig oordeel van de rechter in een dergelijk geval sprake zou kunnen zijn van voor heffing van inkomstenbelasting vatbare bedragen kan daarin in dit geval geen verandering brengen.
1.7. Het beroep is ongegrond; de uitspraak dient te worden gehandhaafd.
proceskosten:
Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het hof geen termen aanwezig.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2001 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(E.M. van Hoorn) (J. Lamens)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 oktober 2001
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.