ECLI:NL:GHARN:2001:AD3913

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
19 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99-03056
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete naheffingsaanslag omzetbelasting wegens dubbele aftrek

Belanghebbende exploiteert een transportonderneming en heeft in 1998 een vrachtwagen gekocht. Hierbij is de omzetbelasting tweemaal in aftrek gebracht, wat leidde tot een te lage belastingbetaling. De fout werd ontdekt door de accountant, waarna in april 1999 een suppletie-aangifte werd ingediend en de Inspecteur verzocht werd om naheffing zonder verhoging.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op met een boete van 5% van het nageheven bedrag. Het Hof overwoog dat voor het opleggen van deze boete geen opzet of grove schuld vereist is, maar dat de boete achterwege moet blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). In dit geval was sprake van een licht verzuim, geen avas.

Het Hof achtte de boete passend gezien het bedrag van de niet geheven belasting en het feit dat belanghebbende vrijwillig de naheffing vroeg. Het beroep tegen de boete werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegekend omdat geen gronden voor kostenveroordeling aanwezig waren.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de boete van 5% op de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens dubbele aftrek.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zevende enkelvoudige belastingkamer
nummer 99/03056
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : Maatschap [X]
te : [Z]
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen [P]
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : boetebeschikking genomen bij naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1998
nummer : [1.F01.1]
mondelinge behandeling : op 19 september 2001 te Arnhem
waarbij verschenen : de Inspecteur, […]
waarbij niet verschenen : belanghebbende, met kennisgeving aan het Hof
gronden:
1. Belanghebbende exploiteert een transportonderneming. Zij heeft op 25 augustus 1998 een vrachtwagen gekocht. De ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting is tweemaal in aftrek gebracht. Als gevolg hiervan is te weinig belasting op aangifte voldaan.
2. De onder 1 bedoelde fout is door de accountant van belanghebbende ontdekt. In april 1999 is een "suppletie-aangifte" ingediend en is de Inspecteur verzocht de nog verschuldigde belasting ten bedrage van ƒ 25.221 na te heffen zonder verhoging. Het bedrag van ƒ 25.221 heeft voor het grootste deel betrekking op de meerbedoelde fout.
3. De Inspecteur heeft de volgens de suppletie-aangifte nog verschuldigde belasting nageheven met een boete van 5% (ƒ 1.261).
4. Voor het opleggen van een boete als de onderhavige die gebaseerd is op art. 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet vereist dat aan de belanghebbende opzet of grove schuld te verwijten is. Een boete dient echter achterwege te blijven indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas).
5. De onder 1 aangeduide fout is veroorzaakt doordat zowel bij het inboeken in het bankboek van de telefonische betaling (in augustus) als bij het inboeken in het inkoopboek van de ter zake van de aankoop van de vrachtauto aan belanghebbende uitgereikte factuur omzetbelasting is afgezonderd. Dit is weliswaar slechts een licht verzuim maar geen situatie van avas.
6. Het Hof acht een boete van ƒ 1.261 passend bij het onderhavige verzuim gelet op het bedrag aan belasting dat als gevolg van het verzuim aanvankelijk niet geheven is, ook als in aanmerking wordt genomen dat van de zijde van belanghebbende vrijwillig is verzocht om naheffing zodra gebleken was dat te weinig belasting was voldaan.
slotsom:
Het beroep is niet gegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2001 door mr.drs. F.J.P.M. Haas, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink) (F.J.P.M. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 september 2001
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.