ECLI:NL:GHARN:2001:AB2986
Gerechtshof Arnhem
- Hoger beroep
- Houtman
- Smeeïng-Van Hees
- Schuman
- Rechtspraak.nl
Nietigverklaring en matiging van non-concurrentiebedingen in arbeidsovereenkomst en aandeelhoudersovereenkomsten
In deze civiele zaak stond de geldigheid van non-concurrentiebedingen tussen appellant en drie besloten vennootschappen centraal. Het hof oordeelde dat de bedingen, overeengekomen in het kader van verkoop van ondernemingen en arbeidsovereenkomst, in strijd waren met artikel 6 van Pro de Mededingingswet (Mw) en daarom nietig moesten worden verklaard met ingang van 1 april 1998.
Het non-concurrentiebeding tussen appellant en de eerste geïntimeerde, oorspronkelijk voor tien jaar en betrekking hebbend op geheel Nederland, was na wijziging beperkt tot Gelderland en omgeving Apeldoorn. Het hof vond deze beperking onvoldoende om de mededingingsbeperking te rechtvaardigen en verwierp het verweer dat het beding onder een uitzondering van de Mw viel. Ook het beding met de tweede geïntimeerde, zonder termijnbepaling, werd nietig verklaard.
Het beding in de arbeidsovereenkomst met de derde geïntimeerde werd gematigd tot een maximale duur van twee jaar na het einde van het dienstverband, omdat een langere duur onbillijk zou zijn voor appellant. Het hof oordeelde dat het beding schriftelijk was overeengekomen en dat het belang van de werkgever bij handhaving na twee jaar niet meer reëel was.
De stelling dat de overeenkomst van 20 januari 1997 een vaststellingsovereenkomst was, werd verworpen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Zutphen en veroordeelde geïntimeerden in de kosten van het geding.
Uitkomst: De non-concurrentiebedingen zijn nietig verklaard met ingang van 1 april 1998 en het beding in de arbeidsovereenkomst gematigd tot twee jaar na einde dienstverband.