ECLI:NL:GHARN:2001:AB2081

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
2 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/891
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over belastingheffing schadevergoeding Swill-regeling 1997

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de belastingheffing over een schadevergoeding ontvangen in het kader van de Swill-regeling over het jaar 1997. Hij stelde dat deze vergoeding belast moest worden tegen het bijzondere tarief van 45%, mede op grond van het gelijkheidsbeginsel en verwijzing naar andere regelingen.

Het Hof oordeelde dat noch de tekst noch de geschiedenis van artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 steun biedt aan deze opvatting. Ook onderdelen b en c van dit artikel bieden geen aanknopingspunten voor het bijzondere tarief.

Verder verwierp het Hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de Swill-uitkering niet vergelijkbaar is met SLOM-uitkeringen die betrekking hebben op een periode langer dan drie jaar. De Wet biedt geen mogelijkheid tot matiging van het progressieve tarief voor SLOM-uitkeringen, terwijl de middelingsregeling wel toepasbaar is op de Swill-uitkering. Ook andere regelingen die toepassing van het bijzondere tarief toestaan bij definitieve inkrimping of afstoting van bedrijfsactiviteiten zijn niet van toepassing, omdat de Swill-uitkering betrekking heeft op tijdelijke inkomensschade.

Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de bestreden uitspraak. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de schadevergoeding Swill-regeling niet belast wordt tegen het bijzondere tarief en wijst het beroep af.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
tweede meervoudige belastingkamer
nummer 00/891
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Onder-nemingen P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1997
mondelinge behandeling : op 18 april 2001 te Arnhem door mr Van Schie, vice-president, mr Matthijssen en mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier
waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur
gronden:
1. De tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) biedt steun aan belanghebbendes opvatting dat de onderhavige - in het kader van de zogenaamde Swill-regeling ontvangen - schadevergoeding dient te worden belast naar het bijzondere tarief van 45 percent. Ten overvloede zij opgemerkt dat de onderdelen b en c van genoemde bepaling daartoe evenmin aanknopingspunten bieden.
2. In zoverre belanghebbende - onder verwijzing naar het door de Staatssecretaris van Financiën gevoerde begunstigende beleid met betrekking tot de zogenoemde SLOM-uitkeringen - zich beroept op toepassing van het gelijkheidsbeginsel, faalt dit beroep evenzeer. De onderhavige uitkering kan naar het oordeel van het Hof niet op één lijn worden gesteld met bedoelde SLOM-uitkeringen. Deze uitkeringen zien, anders dan de hier aan de orde zijnde Swill-uitkering, immers op een periode die langer is dan drie jaar. De Wet biedt ten aanzien van zodanige uitkeringen geen mogelijkheid tot matiging van het progressieve tarief, terwijl zulks met betrekking tot de onderhavige uitkering via de zogenoemde middelingsregeling wel kan worden gerealiseerd. De omstandigheid dat, naar belanghebbende stelt, toepassing van de middelingsregeling in het onderhavige geval onvoldoende effect sorteert, doet aan het vorenstaande niet af.
3. Voor zover belanghebbende zich ten slotte nog beroept op andere in de uitvoeringssfeer getroffen regelingen waarin - kort gezegd - toepassing van het bijzondere tarief (van 45 percent) op schadevergoedingen in de winstsfeer werd toegestaan (verwezen wordt naar de in onderdeel 2 van het beroepschrift genoemde regelingen), kan zulks hem evenmin baten. De door belanghebbende bedoelde regelingen zien op situaties waarin sprake is van het definitief inkrimpen of afstoten van bedrijfsactiviteiten zonder dat sprake is van fiscale staking, terwijl de uitkering in het kader van de Swill-regeling betrekking heeft op - in verband met de omschakeling van vervoedering met voedsel- en slachtafval naar meelvervoedering - tijdelijk geleden inkomensschade. Van gelijke gevallen is mitsdien geen sprake.
4. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.
Proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2001 te Arnhem door mr Van Schie, voorzitter van de tweede meervoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(R. den Ouden) (P.M. van Schie)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 mei 2001
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is griffierecht verschuldigd.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.