ECLI:NL:GHARN:2001:AB1625
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing over vergoeding immateriële schade bij ontbinding dienstverband
Belanghebbende was statutair directeur bij A/B BV en diens dienstverband werd ontbonden met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. De rechtbank kende een bruto vergoeding van ƒ 495.000 voor materiële schade en ƒ 75.000 voor immateriële schade toe. Belanghebbende ontving deze bedragen in termijnen en er werd loonbelasting ingehouden.
In zijn aangifte gaf belanghebbende de materiële vergoeding als inkomen aan, maar betwistte dat de vergoeding voor immateriële schade tot belastbaar loon behoorde. De Inspecteur stelde dat beide vergoedingen als loon moesten worden belast. Het geschil betrof de kwalificatie van de ƒ 75.000 vergoeding.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vergoeding voor immateriële schade niet uit de dienstbetrekking voortvloeit. De vergoeding werd gezien als loon in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De door belanghebbende aangevoerde feiten over schending van eer en goede naam waren niet onderbouwd en niet tijdens de ontbindingsprocedure naar voren gebracht.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de Inspecteur. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt bevestigd.