ECLI:NL:GHARN:2001:AB1538

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
18 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/03387
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verlies op vordering rekening-courant in fiscale eenheid

Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit een moedermaatschappij en haar 100% dochtervennootschap A BV, had in 1988 een voorziening getroffen ter afwaardering van een rekening-courantvordering op B GmbH, een Duitse vennootschap opgericht door de toenmalige aandeelhouder van belanghebbende.

In 1990 werd deze rekening-courantvordering omgezet in een rentedragende lening en een achtergestelde lening, waarvan een deel werd overgedragen aan natuurlijke personen die aandeelhouder waren in belanghebbende en B GmbH. De Inspecteur stelde dat de werkelijke waarde van de vordering op het moment van omzetting niet lager was dan de nominale waarde, waardoor de eerdere afwaardering ongedaan moest worden gemaakt.

Het Hof oordeelde dat voor de beoordeling van het verlies alleen de feitelijke vordering op het moment van omzetting van belang is, niet de boekhoudkundige verwerking. Belanghebbende kon onvoldoende aannemelijk maken dat de vordering minder waard was dan de nominale waarde. Het tussen partijen gesloten compromis stond niet in de weg aan de Inspecteur om de waarde op 13 maart 1990 te beoordelen.

Daarom werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De grieven tegen de boete werden door belanghebbende ingetrokken. Het Hof wees kostenveroordeling af wegens ontbreken van gronden volgens artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de afwaardering ongedaan moet worden gemaakt omdat de vordering niet minder waard was dan de nominale waarde.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
tweede meervoudige belastingkamer
nummer 99/03387
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X B.V.
te : Z
verweerder : de Inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaar
betreft : vennootschapsbelasting 1990
nummer : V.01
mondelinge behandeling : op 4 april 2001 te Arnhem
waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur
gronden:
1 Belanghebbende vormde in het onderhavige jaar een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met haar 100% dochtervennootschap A BV.
2. Op 20 juni 1984 heeft belanghebbendes toenmalige enig aandeelhouder en directeur de vennootschap naar Duits recht B GmbH opgericht.
3. Tussen A BV en B GmbH bestaat een rekening-courantverhouding.
4. In 1988 heeft A BV haar vordering op B GmbH ten laste van haar resultaat afgewaardeerd door het treffen van een voorziening ten bedrage van ƒ 415.769,--. Bij zijn uitspraak van 18 augustus 1999, nr. 95/0132, heeft het Hof - zakelijk weergegeven - geoordeeld dat de Inspecteur terecht een (verdere) afwaardering in 1989 met ƒ 414.231,-- niet heeft aanvaard.
5. Ultimo 1989 beliep de vordering van A BV op B GmbH nominaal ƒ 1.922.139,--.
6. Op 13 maart 1990 wordt de vordering in rekening-courant van A BV op B GmbH omgezet in een rentedragende lening van ƒ 707.319,-- (in stukken wordt ook wel gesproken van ƒ 707.315,--) en een achtergestelde lening van ƒ 1.215.000,--. De achtergestelde lening wordt vervolgens (nog op 13 maart 1990) voor 10% van de nominale waarde overgedragen aan vier natuurlijke personen die allen (middellijk) aandeelhouder in belanghebbende en B GmbH zijn.
7. Op de vordering in rekening-courant van A BV op B GmbH is in de periode van 1 januari 1990 tot 13 maart 1990 per saldo zoveel afgelost dat deze vordering op het moment van de onder 6 bedoelde omzetting nog slechts ƒ 756.528,25 beliep.
Voor dit geding mist betekenis dat de rekening-courantvordering op 1 januari 1990 en de gezamenlijke nominale waarde van de vorderingen waarin de rekening-courantvordering is omgezet, ƒ 1.922.139,-- beliep. Van belang is slechts de hoogte van de vordering op het moment van de omzetting nu A BV op dat moment niet meer te vorderen had en voor de vraag of zij in verband met omzetting gevolgd door verkoop van de achtergestelde lening een verlies heeft geleden, uitsluitend gekeken moet worden naar het feitelijk op dat moment op grond van de rekening-courantverhouding te vorderen bedrag.
Hieraan doen de boekhoudkundige verwerking door middel van een later opgestelde journaalpost en het gegeven dat in de aktes van (achtergestelde) geldlening van 13 maart 1990 wordt verwezen naar de toestand per 31 december 1989 niet af. Die omstandigheden kunnen immers geen wijziging aanbrengen in de feitelijk op 13 maart 1990 bestaande civielrechtelijke verhoudingen.
8. De Inspecteur neemt het standpunt in dat de werkelijke waarde van de vordering in rekening courant op 13 maart 1990 niet lager is dan de nominale waarde, dat er derhalve in 1990 geen verlies op de vordering wordt geleden en dat de in 1988 gepleegde afwaardering ongedaan gemaakt dient te worden.
9. De Inspecteur heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt onder meer gewezen op de afname van de vordering in de periode van 1 januari tot 13 maart 1990. Voorts heeft hij onbetwist aangevoerd dat B GmbH niet is opgehouden te betalen en dat A BV na 13 maart 1990 op dezelfde voorwaarden is blijven leveren aan B GmbH. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat de vordering in rekening courant van A BV op B GmbH op 13 maart 1990 desalniettemin minder waard was dan de nominale waarde daarvan. Hetgeen zij heeft aangevoerd, in het bijzonder hetgeen zij heeft betoogd omtrent de vermogenspositie van B GmbH, is daartoe onvoldoende.
10. Ter gelegenheid van de transacties op 13 maart 1990 dient de waarde van de vordering in rekening courant (opnieuw) te worden beoordeeld, en moet dus worden bezien of grond bestaat de afwaardering (in 1988) ongedaan te maken. Uit het vorenoverwogene volgt dat er voor dit geding van moet worden uitgegaan dat de vordering op die datum niet minder waard was dan de nominale waarde, zodat de afwaardering inderdaad ongedaan moet worden gemaakt. Het tussen partijen gesloten compromis staat er niet aan in de weg dat de Inspecteur de waarde op 13 maart 1990 van de vordering in rekening courant beoordeelt en dat, zo daartoe reden bestaat, eerdere afwaarderingen ongedaan worden gemaakt.
11. Belanghebbendes in haar pleitnota verwoorde subsidiaire standpunt gaat er ten onrechte vanuit dat de Inspecteur zou handelen in strijd met onder 10 bedoelde compromis en behoeft derhalve geen verdere bespreking.
12. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard zijn grieven tegen de boete te laten vallen.
slotsom:
Het beroep is niet gegrond.
proceskosten:
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
beslissing:
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2001 door mr P.M. van Schie, mr. T.J. Matthijssen en mr. drs. F.J.P.M. Haas, in tegenwoordigheid van mr. R. den Ouden als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(R. den Ouden) (P.M. van Schie)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 april 2001
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het Gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.