ECLI:NL:GHARN:2000:AA5277
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.M. van Schie
- mr Röben
- mw mr De Kroon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van toepassing extra bijtelling auto ondanks geconstateerde ongelijke behandeling
In deze zaak betoogde belanghebbende dat artikel 42, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing moest worden gelaten omdat de Staatssecretaris de door de Hoge Raad geconstateerde ongelijke behandeling niet tijdig had opgeheven. De Hoge Raad had in 1998 geoordeeld dat de extra bijtelling van 4% geen verband hield met privégebruik, maar een zelfstandige bijtelling vormde voor belastingplichtigen met een woon-werkafstand van meer dan 30 kilometer.
Belanghebbende stelde dat de toezegging van de Staatssecretaris om de ongelijkheid per 1 januari 1997 op te heffen niet was nagekomen, en dat dit in strijd was met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Het Hof oordeelde echter dat de Hoge Raad geen termijn had gesteld voor het opheffen van de ongelijkheid en dat de Staatssecretaris slechts een voornemen had geuit zonder bindende toezegging.
Het Hof wees erop dat het wetsvoorstel tot wijziging van de autokostenregeling op 14 september 1999 was ingediend, binnen veertien maanden na het arrest van de Hoge Raad, en dat de wetgever een redelijke termijn moest krijgen om de ongelijkheid op te heffen. Daarom bleef de regeling van artikel 42, lid 4, van toepassing en werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
Proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur en wees erop dat tegen deze uitspraak cassatie mogelijk is bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de toepassing van de extra bijtelling en wijst het beroep van belanghebbende af.