ECLI:NL:GHARN:1999:AE9725

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
15 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1999/626 en 1999/627
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van der Weij
  • Smeeïng-Van Hees
  • Groen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93a lid 1 sub b Boek 2 BWArt. 203a lid 1 sub b Boek 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing definitieve schuldsaneringsregeling wegens betrokkenheid bij oprichting B.V. tijdens voorlopige regeling

Tijdens de voorlopige schuldsaneringsregeling was verzoeker betrokken bij de oprichting van een besloten vennootschap (B.V.) op naam van zijn studerende dochters, waarvan hij tevens directeur werd. Verzoeker stelde dat hij alleen handelde namens zijn dochters en dat zijn vermogen niet was veranderd, maar de bewindvoerder betwijfelde deze verklaring en stelde dat verzoeker niet tijdig had geïnformeerd over zijn activiteiten.

Verzoeker had ook een auto op naam van een dochter overgeschreven en bedrijfsmiddelen verhuisd zonder de bewindvoerder hiervan op de hoogte te stellen. Het hof oordeelde dat het zonder medeweten van de bewindvoerder verrichten van deze activiteiten een gegronde vrees schept dat verzoeker zijn schuldeisers zal benadelen of zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zal nakomen.

Daarom werd het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en werden de vonnissen van de rechtbank Almelo bekrachtigd. Het hof nam daarbij mee dat de dochters studerend zijn en dat verzoeker inkomsten kan verwerven uit de onderneming van de B.V., wat de vrees voor benadeling versterkt.

Uitkomst: Verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens betrokkenheid bij oprichting B.V. en niet naleven van verplichtingen.

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem
Arrest
in de gevoegde zaak van :
X. en
Y.
beiden wonende te P.,
appellanten,
Procureur: mr F.J. Boom
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de uitspraken van de rechtbank te Almelo van 22 oktober 1999, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 Bij (afzonderlijk) beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 oktober 1 999, zijn appellanten (hierna ook gezamenlijk in enkelvoud te noemen: X. ) in hoger beroep gekomen van deze uitspraken, waarbij hun verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
2.2 Bij voormelde beroepschriften heeft X. het hof verzocht de uitspraken van 22 oktober 1999 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, appellanten alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsanering, het liefst met aanstelling van een andere bewindvoerder dan mr J.A.D.M. Daniëls te Goor.
2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een schriftelijk verslag van mr J.A.D.M. Daniëls, bewindvoerder in de voorlopige schuldsaneringsregeling, van 9 november 1999.
2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 1999, waarbij de heer en mevrouw X. zijn verschenen in persoon, bijgestaan door mr J.R. Hagendoorn, advocaat te Arnhem. De bewindvoerder is eveneens verschenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
3.2 X. betwist in hoger beroep dat hij zich niet aan zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen heeft gehouden. Hij voert daartoe het volgende aan. In de eerste plaats erkent X. dat zijn dochters een B.V. in het leven hebben geroepen, genaamd Z. B.V. . Omdat zijn dochters beginnende ondernemers zijn, heeft hij hen met de oprichting van de B.V. willen helpen. Hij heeft derhalve alleen activiteiten verricht ten behoeve van de B.V. van zijn dochters en enkel stukken getekend namens zijn dochters en niet uit eigen hoofde of titel. X. legt daartoe een verklaring van 28 oktober 1999 over van de notaris ten overstaan van wie destijds de akte van oprichting van de B.V. is gepasseerd. X. ontkent dat de bewindvoerder niet op de hoogte was van het feit dat hij hulp verleende aan zijn dochters bij het oprichten van de B.V. Verder verklaart hij dat daarmee zijn vermogen niet is veranderd en er derhalve geen nadelige handeling voor schuldeisers heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats ontkent X. dat er een verhuizing van bedrijfsmiddelen in negatieve zin heeft plaatsgevonden kort voor de faillissementsaanvraag. Nadat enkele leveranciers hun goederen die onder eigendomsvoorbehoud waren geleverd - kwamen terughalen, heeft hij het bedrijf verhuisd, om het in afgeslankte vorm te kunnen voortzetten. In de derde plaats is het weliswaar juist dat X. kort vóór de voorlopige toepassing van de schuldsanering, op 14 september 1999, een auto - een Nissan Micra - op naam van één van zijn dochters heeft overgeschreven doch X. stelt dat dit is meegedeeld aan de curator en dat deze dochter nog steeds bereid is om de waarde daarvan te vergoeden aan de curator.
3.3 De bewindvoerder heeft in zijn verslag van 9 november 1999 opgenomen dat hij de indruk heeft gekregen dat het bij de oprichting van de B.V. wel degelijk gaat om eigen activiteiten van X., die thans op naam van zijn jong meerderjarige dochters staan. De bewindvoerder verwijst daartoe naar het uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat X. staat ingeschreven als enig directeur van de Z. B.V. en naar de "bankverklaring B" Inzake oprichting van een vennootschap (inzake saldo op rekening als bedoeld in artikel 93a lid 1 sub b respectievelijk artikel 203a lid 1 sub b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) van 1 oktober 1 999 die mede door X. is ondertekend. X. had de bewindvoerder hiervan vooraf op de hoogte dienen te stellen en niet eerst wanneer de bewindvoerder toevallig via de postomleiding zaken ontdekt. De bewindvoerder is van mening dat X. ook ter zake van de verhuizing van bedrijfsmiddelen en de auto de bewindvoerder niet tijdig heeft geïnformeerd.
3.4 Het hof is van oordeel dat het verzoek van X. om definitief te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende. Tijdens de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling is X. betrokken geweest bij het oprichten van Z. B.V. en heeft hij zich tot directeur daarvan laten benoemen. X. heeft deze activiteiten verricht zonder de bewindvoerder daarvan vooraf op de hoogte te stellen. Het zonder medeweten van de, bewindvoerder verrichten van bovengenoemde activiteiten leidt tot de conclusie dat er gegronde vrees bestaat dat X. tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Het hof merkt daarbij op dat het feit dat de dochters van X. (volgens hem de aandeelhouders van de B.V.) 18 en 21 jaar zijn en - nog geruime tijd - een HBO-dagopleiding volgen, de conclusie wettigt dat X. activiteiten verricht of zal gaan verrichten ten behoeve van de onderneming van de B.V. en uit die onderneming inkomsten kan (gaan) verwerven. De bestreden uitspraken zullen derhalve worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank te Almelo van 22 september 1999.
Dit arrest is gewezen door mrs Van der Weij, Smeeïng-Van Hees en Groen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 5 november 1 999.