ECLI:NL:GHARN:1999:AA1384
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N.E. Haas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek reiskosten en verplegingskosten bij verzorging ernstig zieke moeder
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting over 1996 reiskosten en verplegingskosten opgevoerd in verband met de verzorging van zijn ernstig zieke moeder. De moeder, 90 jaar oud en woonachtig te Q, had ernstige hartklachten en werd deels door een wijkzuster en deels door belanghebbende en zijn zus verzorgd. Belanghebbende bracht reiskosten van ƒ 2.402,- en verplegingskosten van ƒ 240,- in aftrek.
De inspecteur weigerde deze aftrekposten omdat niet was aangetoond dat belanghebbende bij aanvang van de ziekte een gezamenlijke huishouding voerde met zijn moeder, zoals vereist in artikel 46, derde lid, onderdeel e van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Tevens was de moeder financieel in staat de kosten zelf te dragen, waardoor geen sprake was van een op belanghebbende drukkende buitengewone last.
Het hof oordeelde dat belanghebbende de gestelde gezamenlijke huishouding niet aannemelijk had gemaakt en dat de reiskosten niet direct samenhingen met overlijden, zodat aftrek als buitengewone last niet mogelijk was. Ook de bijdrage voor verpleging werd afgewezen vanwege de financiële draagkracht van de moeder. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Het hof verwees naar jurisprudentie waarin onderscheid wordt gemaakt tussen ziekenbezoek als onderdeel van verpleging en gewoon ziekenbezoek, waarbij onder meer de gezamenlijke huishouding en financiële situatie van de zieke bepalend zijn voor aftrekbaarheid. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de reiskosten en verplegingskosten niet aftrekbaar zijn als buitengewone lasten wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding en voldoende financiële draagkracht van de moeder.