ECLI:NL:GHARN:1999:AA1369
Gerechtshof Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.M. van Schie
- mr Röben
- mr Lamens
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof Arnhem over waardering lijfrenteverplichting in vennootschapsbelasting 1995
Belanghebbende, een besloten vennootschap opgericht in 1992, had een lijfrenteverplichting die zij tot en met 1994 op een bepaalde wijze waardeerde. In 1995 wijzigde zij haar waarderingsgrondslagen op basis van de invoeging van artikel 9b in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij een rekenrente van 4% werd gehanteerd. De Inspecteur stelde echter dat de waardering moest plaatsvinden tegen de oorspronkelijke interne rekenrente van 5% of de benaderde marktwaarde.
Het geschil betrof de juiste waarderingsgrondslag van de lijfrenteverplichting per 31 december 1995. Het Hof stelde vast dat de invoering van artikel 9b een minimale rekenrente van 4% voorschrijft, maar dat dit niet betekent dat deze rente altijd toegepast moet worden. De waardering dient plaats te vinden volgens algemeen aanvaarde actuariële grondslagen en goed koopmansgebruik.
Het Hof oordeelde dat de waardering tegen de benaderde marktwaarde met een rekenrente van ongeveer 6,04% passend is, en dat de aanslag vennootschapsbelasting dienovereenkomstig moet worden verminderd. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van een actuariële en marktconforme waardering van pensioen- en lijfrenteverplichtingen in de belastingheffing.
Uitkomst: De aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd tot een belastbaar bedrag van ƒ 94.249,- met vergoeding van proceskosten en griffierecht.