ECLI:NL:GHARN:1998:AA1340

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
2 juni 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/21306
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46, eerste lid, onderdeel b, Wet op de inkomstenbelasting 1964Artikel 1 Besluit proceskosten fiscale proceduresArtikel 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurkosten bedrijfspand als nagekomen bedrijfslast bij staking onderneming

Belanghebbende exploiteerde tot 25 februari 1994 een café in een pand aan de A-weg te Z. Het bedrijfsgedeelte werd sinds 1984 gehuurd van zijn vader, aanvankelijk voor vijf jaar en vanaf 1989 verlengd voor tien jaar. De huurprijs bedroeg ƒ 6.000 per jaar. Na staking van de onderneming in 1994 bleef belanghebbende verplicht de huur te betalen.

De kern van het geschil was of de betaalde huur na staking als nagekomen bedrijfslast in aanmerking mocht worden genomen. De inspecteur betwistte dit, maar stelde niet dat de huurovereenkomst om niet-zakelijke redenen was verlengd of dat rekening gehouden moest worden met een vroegtijdige staking.

Het hof oordeelde dat de verplichtingen uit de huurovereenkomst voortvloeiden uit zakelijke beslissingen in het kader van de onderneming en dat belanghebbende zich redelijkerwijs niet aan deze verplichtingen kon onttrekken. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat privé-overwegingen een rol speelden bij de voortzetting van het contract.

De huurvoorwaarden waren mogelijk gunstiger dan zakelijk gebruikelijk, maar dit weerhield het hof er niet van de betaalde huur als bedrijfslast te erkennen. Het beroep werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en het belastbaar inkomen aangepast.

Uitkomst: De betaalde huur voor het bedrijfsgedeelte na staking van de onderneming wordt als nagekomen bedrijfslast erkend, waardoor het belastbaar inkomen wordt verminderd.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
zevende enkelvoudige belastingkamer
nr. 97/21306
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : *X
te : *Z
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen *P
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen de aanslag in de
soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen
jaar : 1995
mondelinge behandeling : op 19 mei 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier
waarbij verschenen : belanghebbende en zijn vader * ter bijstand alsmede de inspecteur voornoemd
gronden:
1. Belanghebbende exploiteerde tot 25 februari 1994 een café-bedrijf in een pand gelegen aan de *a-weg 369 te *Z.
2. Het voor de exploitatie van het café-bedrijf gebruikte deel van het pand (hierna: het bedrijfsgedeelte) werd door belanghebbende met ingang van 15 februari 1984 gehuurd van zijn vader voor een bedrag van ƒ 6.000,– per jaar.
3. De huurovereenkomst is aanvankelijk aangegaan voor vijf jaren. Op 16 februari 1989 zijn belanghebbende en zijn vader nader overeengekomen dat de huurovereenkomst per 15 februari 1989 is gecontinueerd voor de tijd van tien jaren, derhalve tot 15 februari 1999.
4. Met ingang van 15 februari 1989 huurt belanghebbende van zijn vader voor ƒ 250,– per maand ook de bovenwoning van het pand.
5. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de in het onderhavige jaar betaalde huur voor het bedrijfsgedeelte van ƒ 6.000,– in aanmerking mag nemen als nagekomen bedrijfslast.
6. Belanghebbende heeft de huurovereenkomst voor het bedrijfsgedeelte afgesloten en verlengd in het kader van de exploitatie van zijn onderneming. De inspecteur heeft niet gesteld dat belanghebbende om andere dan zakelijke redenen heeft gehandeld door het huurcontract te verlengen voor een periode van tien jaren, of dat ten tijde van de verlenging redelijkerwijs rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat de onderneming binnen tien jaren zou worden gestaakt.
7. De in het onderhavige jaar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen komen rechtstreeks voort uit een in het kader van de ondernemingsexploitatie getroffen beslissing. Er bestaat dan reden de daaruit voortvloeiende lasten na de staking van de onderneming als nagekomen bedrijfslast in aanmerking te nemen indien en voor zover moet worden aangenomen dat belanghebbende zich redelijkerwijs aan die verplichtingen niet heeft kunnen onttrekken.
8. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de verhuurder hem aan het contract wilde houden, dat hij wel heeft gekeken of onderverhuur mogelijk was maar dat daarvoor geen belangstelling bestond, en dat het bedrijfsgedeelte in het onderhavige jaar alleen werd gebruikt als opslagruimte voor spullen (zoals tafels en stoelen) die voorheen in het café–bedrijf werden gebruikt. Het hof heeft geen aanleiding belanghebbende op deze punten ziet te geloven.
9. De inspecteur maakt met betrekking tot het onderhavige jaar niet aannemelijk dat bij de beslissing van belanghebbende tot voortgezette nakoming van het huurcontract privé-overwegingen een wezenlijke rol hebben gespeeld.
10. Indien – zoals de inspecteur stelt en belanghebbende betwist – de huurvoorwaarden voor belanghebbende gunstiger zijn dan tussen zakelijk handelende partijen overeengekomen zou zijn, geeft dit geen aanleiding de feitelijk betaalde huur niet als nagekomen bedrijfslast in aanmerking te nemen.
11. Het beroep is gegrond. Het belastbaar inkomen van belanghebbende moet worden verminderd met ƒ 6.000,– (minder onzuiver inkomen) en ƒ 732,– (de hieruit voortvloeiende vermindering van de drempel voor uitgaven als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) tot ƒ 40.892,–.
proceskosten:
In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
beslissing:
Het gerechtshof:
– vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
– vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 40.892,– met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 12.148,–;
– gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden;
Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 1998 te Arnhem door mr drs F.J.P.M. Haas, raadsheer, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier,Het lid van de voormelde kamer,
(J.L.M. Egberts)(F.J.P.M. Haas)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juni 1998