ECLI:NL:GHARN:1998:AA1267

Gerechtshof Arnhem

Datum uitspraak
13 augustus 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/20698
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.E. Haas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 47 Successiewet 1956Art. 1 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslag recht van successie wegens onduidelijkheid aanslagbiljet

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag recht van successie die op zijn naam is gesteld met betrekking tot een verkrijging uit een nalatenschap. De inspecteur had belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar en de aanslag bevestigd. Het gerechtshof oordeelt dat belanghebbende wel ontvankelijk is in zijn bezwaar omdat de aanslag op zijn naam is gesteld en dat de primaire conclusie van de inspecteur niet gevolgd kan worden.

Daarnaast constateert het hof dat het aanslagbiljet onduidelijk is omdat het niet kenbaar maakt dat er meerdere verkrijgers zijn en dat het bedrag van de aanslag niet alleen betrekking heeft op belanghebbende. Hierdoor miskent de inspecteur dat aanslagen voor meerdere verkrijgers kunnen worden opgenomen in één aanslagbiljet volgens artikel 47 van Pro de Successiewet 1956.

Het hof vernietigt daarom de aanslag en gelast de inspecteur om binnen de wettelijke termijn alsnog aanslagen op te leggen aan alle verkrijgers, eventueel met toepassing van artikel 47. De grieven van belanghebbende en het verweer van de inspecteur over de inhoud van de aanslag kunnen in dit geding niet aan de orde komen. Het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De aanslag recht van successie wordt vernietigd en belanghebbende wordt ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem
derde enkelvoudige belastingkamer
nr. 97/20698
Proces-verbaal mondelinge uitspraak
belanghebbende : X
te : Z
ambtenaar : de inspecteur van de Belastingdienst/Registratie en successie Zwolle/Vestiging Utrecht
aangevallen beslissing : uitspraak op bezwaarschrift tegen aanslag nr. 0001
soort belasting : recht van successie
betreffende : verkrijging uit nalatenschap van A
mondelinge behandeling : met toestemming van beide partijen niet gehouden
gronden:
1. De aanslag is gesteld op naam van belanghebbende, door wie tevens op 24 februari 1997 aangifte is gedaan en die in de bij het vertoogschrift gevoegde elementennota als eerste van vier verkrijgers is genoemd, waarbij ‘217 756’ is vermeld als verkrijging, ‘547 650’ als vrijstelling (code 02) en ‘0’ als verschuldigd. Op het aanslagbiljet is ƒ 567808 aan belastbare verkrijging vermeld. De aanslag bedraagt ƒ 29 091. Uit het biljet is niet kenbaar dat dit bedrag de som is van de drie bedragen van elk ƒ 9 697 die op de elementennota zijn vermeld als verschuldigd door elk van de daar genoemde overige verkrijgers.
2. De primaire conclusie van de inspecteur tot niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in diens beroep kan niet worden gevolgd. Belanghebbende is ontvankelijk in zijn beroep tegen de uitspraak die op zijn bezwaar door de inspecteur is gedaan.
3. De subsidiaire conclusie van de inspecteur tot bevestiging van zijn uitspraak, waarbij hij belanghebbende in diens bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, miskent dat de aanslag op diens naam is gesteld alsook dat – ware dit anders – volgens artikel 47 van Pro de Successiewet 1956 voor verkrijgers van dezelfde erflater vastgestelde aanslagen kunnen worden opgenomen in één aanslagbiljet.
4. Uit het aanslagbiljet dat, naar moet worden aangenomen, aan belanghebbende is toegezonden in de vorm zoals het in kopie bij het beroepschrift is overgelegd, is niet kenbaar dat er naast belanghebbende nog (drie) andere verkrijgers zijn en evenmin dat het bedrag van de aanslag niet betrekking heeft op de verkrijging door belanghebbende, laat staan dat meer aanslagen in het biljet zouden zijn opgenomen.
5. In het licht van het vorenstaande moeten de primaire en subsidiaire conclusies van de inspecteur, in onderling verband beschouwd, worden opgevat als strekkende tot vernietiging van de aan belanghebbende opgelegde aanslag. De inspecteur zal, met inachtneming van de termijn bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alsnog aanslagen aan ieder van de belastingplichtige mede-verkrijgers van belanghebbende kunnen opleggen, desverkiezende met toepassing van artikel 47 voormeld Pro.
6. De grieven van belanghebbende en het (meer subsidiaire) verweer daartegen van de inspecteur kunnen in dit geding niet aan de orde komen.
proceskosten:
In beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
beslissing:
Het gerechtshof:
– vernietigt de uitspraak van de inspecteur;
– verklaart belanghebbende ontvankelijk in zijn bezwaar;
– vernietigt de aanslag;
– gelast de inspecteur aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van ƒ 80,– te vergoeden.
Aldus gedaan te Arnhem op 13 augustus 1998 door mr N.E. Haas, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Snoijink als griffier.
Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.
De griffier, Het lid van de voormelde kamer,
(W.J.N.M. Snoijink)(N.E. Haas)
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 augustus 1998