ECLI:NL:GHARL:2026:972

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
200.361.351/01 en 200.361.351/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111)Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over termijn en dwangsom bij terugverhuizing minderjarige in echtscheidingsprocedure

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2020. Na het vertrek van de moeder uit de gezamenlijke woning in 2023 en een verhuizing zonder toestemming van de vader, is een echtscheidingsprocedure gestart. De rechtbank had de moeder verplicht binnen zes maanden terug te verhuizen met een dwangsom van €250 per dag.

In hoger beroep heeft de moeder zich niet langer verzet tegen de terugkeerverplichting, maar alleen tegen de termijn en de hoogte van de dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen overeenstemming over een termijn van zes maanden na inschrijving van de echtscheiding en een lagere dwangsom.

Het hof oordeelt dat de dwangsom een proportionele prikkel moet zijn en matigt deze tot €50 per dag met een maximum van €5.000, waarbij de dwangsom pas verbeurd wordt als de moeder niet binnen zes maanden na de echtscheidingsbeschikking is terugverhuisd. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen omdat de hoofdzaak vandaag wordt beslist.

Uitkomst: Het hof stelt de termijn van terugverhuizing vast op zes maanden na inschrijving van de echtscheiding en matigt de dwangsom tot €50 per dag met een maximum van €5.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.361.351/01 en 200.361.351/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 592167)
beschikking van 19 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.S.K. Jap-A-Joe te Utrecht,
en
[verweerder](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. A.S. Bissumbhar te [plaats1] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling,
Stichting de Jeugd- & Gezinsbeschermers(de GI),
gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 17 oktober 2025;
- een brief namens de moeder van 11 december 2025 met bijlage(n);
- een brief van de raad van 22 december 2025, waarin de raad meldt niet op de zitting te zullen verschijnen;
- een journaalbericht namens de moeder van 9 januari 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n)
- een journaalbericht namens de moeder van 19 januari 2026 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden te Zwolle. Hierbij zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk [taal] ;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van: [de minderjarige1] . [de minderjarige1] is [in] 2020 geboren in [land1] .
3.2
De moeder en de vader zijn [in] 2022 met elkaar gehuwd.
3.3
De moeder heeft de [nationaliteit1] nationaliteit. De vader en [de minderjarige1] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] .
3.5
De ouders hebben samengewoond in [plaats1] . In oktober 2023 heeft de moeder de woning verlaten, samen met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , haar minderjarige zoon uit een eerdere relatie.
3.6
De moeder heeft op 18 februari 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Dit verzoek is door de rechtbank aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] . Op het verzoek is nog niet beslist.
3.7
Na een tijdelijk verblijf in een opvanghuis voor slachtoffers van huiselijk geweld is de moeder eind mei 2024 zonder toestemming van de vader met de kinderen naar [plaats2] verhuisd.
3.8
Bij vonnis in kort geding van 31 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter de moeder verplicht om uiterlijk 1 februari 2025 terug te verhuizen naar [plaats1] , tenzij voor die tijd in de bodemprocedure anders is bepaald. Tevens is de moeder veroordeeld tot naleving van de voorlopige zorgregeling (zoals bepaald bij beschikking van 24 april 2024), die inhoudt dat de moeder moet meewerken aan begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige1] . Dit vonnis is bij arrest van dit hof van 10 december 2024 bekrachtigd.
3.9
Bij beschikking van 28 november 2024 is [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de GI tot 28 november 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 21 november 2025 verlengd tot 28 november 2026.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de moeder met [de minderjarige1] binnen zes maanden na de datum van de beschikking moet terugverhuizen naar [plaats1] , op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij, na die zes maanden, niet is terugverhuisd met [de minderjarige1] , met een maximum van € 10.000,-.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij heeft bij brief van 11 december 2025 en vervolgens nogmaals bij journaalbericht van 19 januari 2026 haar petitum gewijzigd. Haar hoger beroep is niet langer gericht tegen de bepaling dat zij met [de minderjarige1] moet terugverhuizen naar [plaats1] , maar ziet uitsluitend op de termijn waarbinnen zij moet zijn terugverhuisd en de (hoogte van de) daaraan verbonden dwangsom.
4.3
De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het de termijn van terugverhuizen en de (hoogte van de) daaraan verbonden dwangsom betreft, en opnieuw rechtdoende de periode waarbinnen zij moet terug verhuizen te bepalen op zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers en het verzoek van de vader tot het opleggen van een dwangsom voor iedere dag dat zij niet met [de minderjarige1] is terugverhuisd af te wijzen dan wel te matigen tot € 1,- per dag dat zij niet binnen zes maanden vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding is terugverhuisd.
4.4
De moeder heeft verzocht de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen totdat in de hoofdzaak is beslist (zaaknummer 200.361.351/02).
4.5
De vader voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De zaak draagt een internationaal karakter omdat de moeder de [nationaliteit1] nationaliteit heeft. Daarom dient het hof ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat [de minderjarige1] op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank haar gewone verblijfplaats in Nederland had.
5.2
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.351/02 (het schorsingsverzoek)
5.3
Nu het hof vandaag uitspraak zal doen in de hoofdzaak, heeft de moeder geen belang meer bij de behandeling van haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal dat verzoek om die reden afwijzen.
In de zaak met zaaknummer 200.361.351/01 (de hoofdzaak)
De termijn van terugverhuizen
5.4
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de termijn waarbinnen de moeder met [de minderjarige1] moet terugverhuizen naar [plaats1] . Overeengekomen is dat partijen zullen bewerkstelligen dat de echtscheiding binnen vijf weken na 21 januari 2026 (de datum van de mondelinge behandeling bij het hof) is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand en dat de moeder binnen drie maanden daarna, maar uiterlijk binnen zes maanden na 21 januari 2026 is terugverhuisd naar [plaats1] ;
5.5
Partijen hebben verzocht die overeenstemming in een beschikking vast te leggen. Hieruit leidt het hof af dat partijen hun verzoek en verweer in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gewijzigd. Het hof zal daarom de bestreden beschikking deels vernietigen en beslissen conform de overeenstemming van partijen.
De (hoogte van de) dwangsommen
5.6
Het hof dient nog wel te oordelen over de vraag of de rechtbank terecht een dwangsom heeft verbonden aan niet (tijdige) nakoming van de beslissing over het terugverhuizen door de moeder en over de hoogte van die eventuele dwangsom.
5.7
De moeder heeft aangevoerd dat zij de dwangsommen niet kan opbrengen, omdat zij een inkomen op bijstandsniveau heeft.
5.8
Het hof stelt voorop dat een dwangsom is bedoeld als prikkel om de naleving van een beslissing te verzekeren, maar ook proportioneel moet zijn. In dit kader overweegt het hof dat de moeder nu weliswaar heeft toegezegd dat zij zal terugverhuizen, maar dat zij eerdere rechterlijke uitspraken hierover naast zich neer heeft gelegd. Dit maakt dat een dwangsom als ‘stok achter de deur’ op zijn plaats is. Het hof ziet in de financiële positie van de moeder wel aanleiding om de door de rechtbank opgelegde dwangsom te matigen tot € 50,- per dag en te maximeren tot een bedrag van € 5.000,- en te bepalen dat deze dwangsom pas zal worden verbeurd als de moeder niet binnen zes maanden na de datum van de echtscheidingsbeschikking met [de minderjarige1] zal zijn terugverhuisd naar [plaats1] .

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.361.351/01
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
17 juli 2025, voor zover het de daarin bepaalde termijn betreft waarbinnen de moeder met [de minderjarige1] dient terug te verhuizen naar [plaats1] , en voor zover het de hoogte van de daaraan verbonden dwangsom betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
veroordeelt partijen tot nakoming van hetgeen onder 5.4 als hun overeenkomst is weergegeven;
bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag dat zij, zes maanden na de datum van de echtscheidingsbeschikking niet is terugverhuisd met [de minderjarige1] naar [plaats1] , met een maximum van € 5.000,-;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
in de zaak met zaaknummer 200.361.351/02
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, M.A.F. Veenstra en F. Menso, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 19 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.