ECLI:NL:GHARL:2026:959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
200.361.805
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging uithuisplaatsing kinderen vanwege ongeschiktheid vader na detentie

De rechtbank Midden-Nederland verlengde de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen tot 2 september 2026. De vader, die vanwege detentie en emotionele problemen niet in staat was voor de kinderen te zorgen, ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Hij verzocht onder meer om schorsing van de beschikking en om de kinderen bij hem te plaatsen of een contactregeling vast te stellen.

Het hof verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken, omdat dergelijke verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan en de vader zijn schorsingsverzoek had ingetrokken. Het hof bevestigde dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht was gegeven, omdat de kinderen niet thuis kunnen wonen en de vader onvoldoende in staat is hen een veilige en passende opvoeding te bieden.

Hoewel de vader re-integratiedoelen nastreeft en trainingen volgt om beter met zijn emoties en kinderen om te gaan, acht het hof dit onvoldoende om de uithuisplaatsing te beëindigen. De kinderen zijn vanuit de thuissituatie bij de moeder geplaatst, en bij intrekking van de beschikking zouden zij terugkeren naar de moeder, niet naar de vader. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd en het hoger beroep van de vader wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de uithuisplaatsing en verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.361.805/01 en 200.361.805/02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596173
beschikking van 19 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3]
in de zaak van
[vader](de vader)
die verblijft in de [penitentiaire inrichting]
advocaat: mr. R.M. Bissumbhar
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht
voor welke instelling
het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming(het LET) op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de beschermingsmaatregel
en
[moeder](de moeder)
die woont op een voor de vader onbekend adres
advocaat: mr. C.I. Veenstra
en
de pleegouders van [minderjarige1]

1.Samenvatting

De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: rechtbank), heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 2 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen drie kinderen:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2014 (verder: [minderjarige1] );
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016 (verder: [minderjarige2] );
- [minderjarige3] , geboren [in] 2021 te [geboorteplaats] (verder: [minderjarige3] ).
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen wonen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] te verlengen voor de duur van een jaar (tot 2 september 2026).
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de GI toegewezen en beslist dat de machtiging uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 28 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en hij verzoekt:
- de werking van de bestreden beschikking (de uitvoerbaarheid bij voorraad) van de bestreden beschikking te schorsen per 1 februari 2026;
- te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst dan wel – als de machtiging tot uithuisplaatsing in stand blijft – een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen waarbij iedere week minimaal één contactmoment plaatsvindt.
4.2.
De moederis het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
4.3.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
 het beroepschrift, ingekomen op 24 november 2025
Het hof heeft een emailbericht van mr. Bissumbhar, met bijlagen, van 22 december 2025 (daags voor de zitting ingekomen) buiten beschouwing gelaten, omdat deze stukken niet aan de andere belanghebbenden zijn gestuurd, te laat zijn ingediend en niet kort en eenvoudig te doorgronden zijn.
4.5.
[minderjarige1] en [minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zij vinden van de uithuisplaatsing. [minderjarige1] heeft geschreven dat hij niet komt en wat hij vindt van het verzoek. [minderjarige2] heeft niet gereageerd.
4.6.
De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • de advocaat van de moeder
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

5.1.
De vader heeft zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken, zodat dit niet hoeft te worden besproken. Het hof zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in dat verzoek.
Zijn verzoek te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst of een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, kunnen – in een procedure als deze – niet (voor het eerst) in hoger beroep worden gedaan. De vader is daarom ook in die verzoeken niet-ontvankelijk.
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen loopt tot 2 september 2026.
5.4.
De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat de kinderen niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.5.
Het hof verwijst naar de uitvoerig gemotiveerde beschikking van de rechtbank over het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing, sluit zich aan bij die motivering en maakt die na eigen onderzoek tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.
De kinderen zijn uithuisgeplaatst vanuit de thuissituatie bij de moeder. Dat betekent dat als het hof de bestreden beschikking ongedaan maakt (zoals de vader verzoekt), de kinderen weer bij de moeder komen wonen en niet bij de vader. Zijn verzoek kan dus niet leiden tot het gevolg dat hij wenst. Toen de kinderen uithuisgeplaatst werden, kon de vader vanwege zijn detentie de kinderen niet bieden wat zij nodig hadden. De opvoedvaardigheden van de vader (en een onderzoek daarnaar) waren op dat moment dan ook door zijn eigen toedoen niet aan de orde. Het hof acht het niet realistisch te veronderstellen dat de vader, na beëindiging van zijn detentie (eind januari 2026), in staat is de kinderen een passende verzorging en opvoeding te bieden in een veilige omgeving, gelet op de forse problematiek van de kinderen en zijn eigen problemen wat betreft het reguleren van zijn emoties. Dat voor de vader re-integratiedoelen zijn opgesteld, hij deze uitvoert en dat hij trainingen heeft gevolgd beter om te gaan met zijn emoties en met zijn kinderen (‘Mijn kind en ik”) is onvoldoende om daarover anders te oordelen.
6. De beslissing
Het hof:
in de zaak met nummer 200.361.805/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep;
in de zaak met nummer 200.361.805/01
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep te bepalen dat de kinderen bij hem worden geplaatst of een contactregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 oktober 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.