ECLI:NL:GHARL:2026:957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
200.361.139/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof bekrachtigt beëindiging gezag ouders over minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsdreiging

De rechtbank Gelderland heeft op 6 augustus 2025 het gezag van de ouders over de minderjarige beëindigd en de gecertificeerde instelling belast met de voogdij. De ouders gingen in hoger beroep tegen deze beslissing, met name tegen de beëindiging van het gezag van de moeder. Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting gehouden op 20 januari 2026.

Het hof stelt vast dat de minderjarige sinds 2017 onder toezicht staat en sinds 2023 in een perspectief biedend gezinshuis woont. De ouders erkennen dat zij niet in staat zijn de benodigde zorg te bieden en dat het opvoedperspectief niet bij hen ligt. Het belang van de minderjarige staat voorop, waarbij stabiliteit, continuïteit en zekerheid in de opvoedingssituatie cruciaal zijn.

Het hof oordeelt dat het gezag van de ouders moet worden beëindigd omdat het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn zelf voor het kind kunnen zorgen. De moeizame samenwerking tussen ouders en de voogd, het risico op vertraging van noodzakelijke zorg en het ontbreken van een constructieve samenwerking maken voortzetting van het gezag onwenselijk. Het hof wijst het verzoek af om het gezag van alleen de moeder in stand te laten en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarige wegens ernstige bedreiging van diens ontwikkeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.139
zaaknummer rechtbank Gelderland 449347
beschikking van 19 februari 2026
over de beëindiging van het gezag over [minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
en
[verzoekster](de moeder),
die wonen in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.R.T. Tromp,
tegen
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
die is gevestigd in Arnhem.
Het hof heeft ook als belanghebbenden aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam,
en
de gezinshuisouders van [minderjarige] (gezinshuis [naam] ),
die wonen in Herpen.

1.Samenvatting

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft bij beschikking van 6 augustus 2025 het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en de GI belast met de voogdij. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2017.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] heeft van 10 april 2017 tot 1 november 2018 onder toezicht van de GI gestaan. Sinds 12 februari 2021 staat [minderjarige] weer onder toezicht van de GI.
2.4.
[minderjarige] is met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [minderjarige] is op 4 november 2022 geplaatst in een crisispleeggezin en woont sinds 15 mei 2023 in het perspectief biedend gezinshuis [naam] .

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de ouders te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de beschikking van 6 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (de beslissing vernietigt). En anders in elk geval dat het hof de beslissing van rechtbank ten aanzien van de gezagsbeëindiging van de moeder ongedaan maakt.
4.2.
De raad wil dat de beslissing in stand blijft (de beslissing bekrachtigt).
4.3.
De GI wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift.
4.5.
[minderjarige] is via de GI uitgenodigd te vertellen wat hij vindt van de beëindiging van het gezag van de ouders. De GI heeft het hof bericht dat [minderjarige] niet komt.
4.6.
De zitting bij het hof was op 20 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat en een begeleider
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat op grond van een ernstige ontwikkelingsdreiging niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op spoedige zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de ouders beëindigd moet worden. De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
Het hof vindt ook dat de rechtbank haar beslissing goed heeft uitgelegd en neemt die uitleg na eigen onderzoek daarom over. Het hof vult de uitleg op bepaalde punten nog aan.
5.4.
Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen op die stukken. Duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders ligt. Dit betekent dat [minderjarige] niet meer bij de ouders zal opgroeien. De ouders erkennen dat zij [minderjarige] thuis niet de benodigde zorg kunnen bieden en dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet bij hen ligt. Als thuisplaatsing niet meer aan de orde is, past het in het systeem van de wet dat het gezag van de ouders op een zeker moment wordt beëindigd, ook al zijn ouders het er mee eens dat hun kind niet in hun eigen gezin opgroeit. Een jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is in dat geval niet langer passend want dat geeft onzekerheid over het opvoedperspectief voor [minderjarige] .
5.5.
Het is positief dat de ouders inzien dat zij niet zelf voor [minderjarige] kunnen zorgen, maar het hof ziet geen mogelijkheden om te volstaan met een plaatsing van [minderjarige] in een vrijwillig kader met behoud van het gezag voor de ouders. Duidelijk is dat de ouders zeer betrokken zijn bij [minderjarige] en dat zij veel van hem houden. Het hof begrijpt dat de ouders graag het gezag over [minderjarige] willen houden en zij emotioneel worden als het gaat over de gezagsbeëindiging. De moeder kon om die reden ook niet bij de zitting bij het hof aanwezig zijn. Maar het gaat in de eerste plaats om het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbare jongen en hij functioneert sociaal emotioneel gezien op een zeer beperkt niveau. [minderjarige] heeft veel één op één begeleiding nodig. Naast de gezinshuisouders is er twintig uur per week begeleiding ingezet. De problematiek van [minderjarige] is echter zodanig ernstig dat dit voor hem niet voldoende is en hij snel overvraagd wordt binnen het gezinshuis. Voor [minderjarige] wordt daarom een plek gezocht op een woongroep bij ’s-Heerenloo of Pluryn waar er meer passende zorg voor hem beschikbaar is. [minderjarige] loopt het risico dat belangrijke beslissingen in een vrijwillig kader, zoals een overplaatsing, worden vertraagd of dat noodzakelijke zorg geen doorgang vindt als de ouders met het gezag belast blijven. In de afgelopen jaren heeft de GI namelijk meermaals vervangende toestemming moeten vragen aan de rechter. Dit komt door de moeizame samenwerking tussen de huidige voogd en de ouders. Dat met een andere voogd de samenwerking beter zou zijn geweest, zoals de ouders stellen, volgt het hof niet. Het hof heeft namelijk in de stukken gelezen en ook tijdens de zitting bij het hof ervaren dat het moeilijk is om met de ouders (en vooral met de vader) tot een inhoudelijk gesprek te komen. De vader heeft aan het hof enig inzicht gegeven in zijn (slechte) ervaringen met de hulpverlening en de jeugdzorg die hij zelf heeft gehad en de reden gegeven waarom hij geen vertrouwen heeft in de huidige voogd. Dit alles rechtvaardigt niet dat hij niet in gesprek blijft met de huidige voogd en hij de fysieke omgang met [minderjarige] daarom heeft stopgezet. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Ook stelde de vader voorwaarden aan een samenwerking met de inmiddels aangewezen nieuwe voogd. Dat de ouders de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt hebben is belangrijk, maar brengt in het oordeel van het hof over het gezag geen verandering. Niet is gebleken dat dit heeft geleid tot een ander inzicht bij de ouders met betrekking tot hun samenwerking met de GI. Mede gelet op zijn kwetsbaarheid heeft [minderjarige] belang bij stabiliteit, continuïteit en zekerheid in zijn opvoedingssituatie en dat voortvarend gezagsbeslissingen in zijn belang kunnen worden genomen. Dit weegt zwaarder dan het belang van de ouders om met het gezag belast te blijven.
5.6.
Het hof ziet geen aanleiding, zoals subsidiair is verzocht, het gezag van alleen de moeder in stand te laten. Het hof acht het onwenselijk dat de vader en de moeder, die met elkaar gehuwd zijn, een ongelijke positie krijgen ten opzichte van [minderjarige] . Bovendien is uit de stukken gebleken dat de moeder meegaat in de afwerende houding van de vader richting de GI, waardoor ook met haar nauwelijks een constructieve samenwerking van de grond komt. Het is in het belang van [minderjarige] dat beide ouders zich gaan focussen op (het behouden van) een fijn en ontspannen contact met [minderjarige] en de strijd richting de GI loslaten.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 6 augustus 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind