ECLI:NL:GHARL:2026:909

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.361.904
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij de vader verlengd tot 26 september 2026. De moeder is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het hof. Het hof heeft de stukken bestudeerd, de mondelinge behandeling gehouden en de mening van een van de minderjarigen gehoord.

Het hof bevestigt de beslissing van de kinderrechter en bekrachtigt de verlenging van de machtiging. De omgang tussen de moeder en de kinderen is recent gestart maar nog beperkt en begeleid, waardoor een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment niet mogelijk is. De moeder werkt aan een stabiele woon- en werksituatie, maar heeft daarvoor meer tijd nodig.

Het hof benadrukt dat uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is met als doel dat ouders de verzorging en opvoeding weer zelf kunnen dragen. De moeder wordt geacht voldoende inzicht te geven in haar situatie en samen te werken met de gecertificeerde instelling (GI) om thuisplaatsing mogelijk te maken. De relatie tussen de moeder en de GI is verstoord, maar het hof verwacht dat beide partijen zich inspannen om deze te verbeteren.

De moeder vroeg om een bijzondere curator voor de kinderen, maar het hof ziet hiervoor geen aanleiding. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het meer of anders verzocht wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen bij de vader tot 26 september 2026 en wijst het beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.904
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596768
beschikking van 17 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1]
advocaat: mr. G.G. Kempenaars
en
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd & Gezinsbeschermers(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2] den Berg, gemeente [gemeentenaam2]

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader verlengd tot 26 september 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2013 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
2.3.
De kinderen staan sinds 26 september 2023 onder toezicht van de GI. Daarna is de ondertoezichtstelling steeds verlengd, voor het laatst bij de hierboven genoemde beschikking van de kinderrechter tot 26 september 2026.
2.4.
De kinderen wonen vanaf 15 november 2023 met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft verzocht de kinderen nog langer uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verlengd tot 26 september 2026.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 27 augustus 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing ongedaan maakt of in tijd beperkt.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling laten weten dat hij het eens is met de beslissing van de kinderrechter en wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de GI
  • het bericht van de raad van 16 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de moeder van 7 januari 2026
  • de stukken van de moeder van 9 januari 2026
4.5.
[de minderjarige1] heeft op 12 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij van de uithuisplaatsing vindt. [de minderjarige1] heeft laten weten dat zij de beslissing van het hof graag via een brief van het hof hoort. Het hof zal [de minderjarige1] daarom een brief sturen.
4.6.
De zitting bij het hof was op 13 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI
  • de vader

5.Het oordeel van het hof

De machtiging tot uithuisplaatsing
Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] . De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken [2] .
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Het hof is het eens met de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing en de redenen die de kinderrechter voor die beslissing heeft gegeven. De beslissing van de kinderrechter zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.3.
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat inmiddels is gestart met begeleide omgang tussen de moeder en de kinderen. Dit is echter pas een recente ontwikkeling en de omgang tussen de moeder en de kinderen is nog beperkt en begeleid, zodat een thuisplaatsing bij de moeder op dit moment niet aan de orde is. Van belang is dat de omgang tussen de moeder en de kinderen regelmatig wordt geëvalueerd en dat gekeken wordt of het contact tussen de moeder en de kinderen kan worden uitgebreid. Daarnaast is gebleken dat ook de thuissituatie van de moeder thuisplaatsing van de kinderen op dit moment niet toelaat. De moeder heeft in dat kader laten weten dat zij bezig is met het verkrijgen van een huis waar zij met haar kinderen kan wonen, maar dat zij daar op dit moment nog niet over beschikt. De moeder heeft, zo zegt zij ook zelf, tijd nodig om een nieuwe woning te vinden en zich daar te settelen voordat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij haar kunnen wonen.
5.4.
Zoals de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling al opmerkte is een uithuisplaatsing een maatregel die naar zijn aard tijdelijk is [3] . Het doel van deze maatregel is immers om ervoor te zorgen dat de ouders de verzorging en opvoeding voor de kinderen op termijn weer zelf kunnen dragen. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling met een machtiging tot uithuisplaatsing, is het uitgangspunt dan ook dat er moet worden gewerkt aan thuisplaatsing. Zodra de moeder haar woon- en werksituatie op orde heeft, dient er dan ook voortvarend te worden gekeken naar de mogelijkheid van thuisplaatsing. Van de moeder mag daarom worden verwacht dat zij voldoende inzicht geeft in hoe het met haar gaat en in haar thuissituatie.
5.5.
Het hof verwacht dat de resterende termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing nodig zal zijn voor de moeder om voldoende inzicht te geven in hoe het met haar gaat, haar woon- en werksituatie op orde te krijgen en samen met de GI te werken aan thuisplaatsing, zodat het hof geen mogelijkheid ziet om de machtiging in duur te beperken.
5.6.
Het hof merkt nog het volgende op. Gebleken is dat de relatie tussen de moeder en de betrokken jeugdbeschermer zodanig verstoord is dat een vruchtbare samenwerking niet (langer) mogelijk lijkt. Van belang is dat de moeder en de GI zich inzetten om hun samenwerking te verbeteren. Van de GI als professionele partij kan in dat kader worden verwacht dat zij zich inspant de relatie met de moeder te verbeteren. Belangrijk is dat wordt bekeken op welke manier dat kan. Het hof merkt daarbij op dat dit op verschillende manieren moet worden geprobeerd, waarbij ook kan worden gedacht aan het inzetten van een andere jeugdbeschermer.
Bijzondere curator
5.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder het hof gevraagd om een bijzondere curator te benoemen voor de kinderen. Het hof ziet geen aanleiding om (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 augustus 2025 over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;
wijst het meer of anders verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, P.B. Kamminga en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.
2.artikel 1:265c lid 2 BW.
3.zie ECLI:HR:2023:1148 r.o.v. 3.3.4 en Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 8-11, 23.