ECLI:NL:GHARL:2026:900

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.357.748
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a en b BWArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kindArtikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag wegens bedreigde ontwikkeling minderjarige en onstabiele thuissituatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft het gezag van de moeder over haar dochter, geboren in 2020, beëindigd vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van het kind. De minderjarige verblijft sinds december 2022 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en woont bij haar oma moederszijde op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing.

De moeder is het niet eens met deze beslissing en ging in hoger beroep. Zij stelt dat zij op korte termijn begeleid kan gaan wonen en het contact met haar dochter kan uitbreiden met als doel het gezag te herstellen. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling pleiten voor handhaving van de beëindiging, vanwege de onvoorspelbaarheid van de moeder, haar problematiek en het belang van stabiliteit voor het kind.

Het hof oordeelt dat de moeder niet binnen een voor het kind aanvaardbare termijn in staat zal zijn om het gezag op een goede wijze uit te oefenen. De minderjarige heeft een bedreigde ontwikkeling door ervaringen met huiselijk geweld, drugsgebruik van de moeder en onveilige situaties. De moeder is sinds 2022 onvoldoende stabiel gebleken en heeft haar leven niet zodanig kunnen inrichten dat zij weer voor haar dochter kan zorgen. Het belang van het kind staat voorop en het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank tot beëindiging van het gezag.

Uitkomst: Het hof bevestigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder vanwege bedreigde ontwikkeling van het kind en het ontbreken van een aanvaardbare termijn voor herstel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.748
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586595
beschikking van 17 februari 2026
over de beëindiging van het gezag over [minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Dijkstra
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende1](oma moederszijde tevens pleegmoeder)
die woont in [woonplaats2]
en
[belanghebbende2](tante moederszijde)
die woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam]
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die is gevestigd in Utrecht

1.1. Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), heeft het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft een dochter: [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in]
2020.
2.2.
De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat sinds 22 december 2022 onder toezicht van de GI. Sinds diezelfde datum verblijft zij op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderrechter bij haar oma moederszijde.
2.4.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn de laatste keer verlengd tot 21 maart 2026.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 15 mei 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
4.2.
De raadwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de raad voor de kinderbescherming
  • verweerschrift van de GI
4.5.
De zitting bij het hof was op 20 januari 2026. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. [1]
5.2.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. [2]
Standpunten
5.3.
De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte haar gezag over [minderjarige] heeft beëindigd. Volgens de moeder is onvoldoende onderzocht of [minderjarige] in de toekomst weer bij de moeder kan wonen. De moeder begrijpt dat ze nu niet voor [minderjarige] kan zorgen, omdat ze gedetineerd zit, maar zij verwacht op korte termijn begeleid te wonen. Volgens de moeder kan het contact met [minderjarige] dan steeds uitgebreid worden met als uiteindelijke doel dat [minderjarige] weer bij de moeder komt wonen. De moeder vindt het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat het ouderlijk gezag van de moeder nu wordt beëindigd.
5.4.
Volgens de raad is het voor [minderjarige] , vanwege de heftige gebeurtenissen die zij op jonge leeftijd heeft meegemaakt, belangrijk dat zij zeker weet dat zij bij haar oma mag blijven wonen. Tijdens het raadsonderzoek is gebleken dat er situaties blijven ontstaan waarin de moeder zeer onvoorspelbaar kan zijn voor [minderjarige] . Dit is voor [minderjarige] verwarrend en beangstigend. Het is de moeder onvoldoende gelukt om haar eigen situatie te stabiliseren en mee te werken aan afspraken om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te bevorderen. De moeder heeft in het verleden meerdere keren geen toestemming gegeven voor belangrijke beslissingen. De moeder is niet in staat gebleken om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn, zelf te dragen. [naam] heeft geen perspectiefonderzoek kunnen doen, omdat dit onmogelijk was vanwege de problematiek en de detentie van de moeder. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn volgens de raad geen passende maatregelen meer omdat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt.
5.5.
Volgens de GI houdt de moeder zich, wanneer zij in de gestructureerde omgeving van de PI verblijft, aan afspraken en is er positief en veilig contact met [minderjarige] . In de periode voor detentie en wanneer de moeder meer vrijheden krijgt lukt het de moeder volgens de GI niet om zich aan afspraken te houden en contact met [minderjarige] te hebben. Doordat de moeder zich kortgeleden (eind november 2025) tijdens haar verlof niet aan de afspraken van de ISD-maatregel heeft gehouden, is er sindsdien geen contact meer met [minderjarige] . Volgens de GI heeft [minderjarige] op jonge leeftijd meerdere ervaringen gehad waarin haar moeder als belangrijke eerste verzorger niet alleen een bron van bescherming, maar ook een bron van angst en dreiging kon zijn. Bij [minderjarige] is mede hierdoor sprake van een bedreigde ontwikkeling. [minderjarige] heeft behoefte aan voorspelbaarheid, emotionele veiligheid en duidelijke kaders. Haar oma biedt [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingssituatie.
De GI vindt het belangrijk dat een onafhankelijke partij beslissingen neemt in het belang van [minderjarige] . Hiermee wordt voorkomen dat de relatie tussen de moeder en oma onder druk komt te staan, wat een negatief effect op [minderjarige] zou hebben.
Hoe oordeelt het hof?
5.6.
Het hof vindt ook dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en sluit hierbij aan. Voor de duidelijkheid volgt hieronder de motivering door de rechtbank:
In de eerste plaats is er sprake van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] doordat zij in de tijd dat zij nog bij haar moeder woonde getuige is geweest van huiselijk geweld tussen haar moeder en de partner van haar moeder. Daarnaast gebruikte haar moeder drugs en maakte zij op andere volwassenen een verwarde indruk. De situatie voor [minderjarige] bij de moeder thuis was dan ook onveilig en onvoorspelbaar voor haar. [minderjarige] woont sinds de uithuisplaatsing in december 2022 niet meer met haar moeder samen en heeft haar moeder sindsdien onregelmatig gezien. Gedurende die periode heeft de moeder in strijd met een contactverbod geprobeerd [minderjarige] mee te nemen. [minderjarige] laat ongeremd gedrag zien, is soms moeilijk stuurbaar en heeft concentratieproblemen. Er is volgens de Raad een verhoogde kans dat dit samenhangt met moeilijkheden op het gebied van trauma en hechting, die een gevolg zijn van wat [minderjarige] heeft meegemaakt. Er worden op school en door oma zorgen gezien op zowel sociaal als cognitief vlak. [minderjarige] kan ongeremd zijn in het contact met volwassenen en anderen kinderen, is moeilijk aan te sturen en te begrenzen en heeft moeite om zich te concentreren en zich op een taak te richten. Hierdoor lukt het haar niet voldoende om tot leren te komen. Het is voorstelbaar dat dit gedrag van [minderjarige] niet los staat van de (gehechtheids)ervaringen die zij in haar jonge leven heeft opgedaan. Zij heeft meerdere ervaringen gehad waarin haar moeder als belangrijke (gehechtheids)relatie niet alleen een bron van bescherming maar ook een bron van angst en dreiging kon zijn. Toen [minderjarige] bij oma kwam wonen betekende dit een gehechtheidsbreuk en ook daarna zijn er in het contact met moeder bedreigende dingen gebeurd voor [minderjarige] . Het is goed mogelijk dat [minderjarige] door deze ervaringen meer alert is geraakt op haar omgeving (dreigt er misschien gevaar) en dat het voor haar moeilijker is om vanuit ontspanning tot (sociaal) leren te komen.
Daarnaast lukt het de moeder niet om de verantwoordelijkheden te nemen die horen bij het ouderschap. Bij de moeder is sprake van langdurige problematiek, waarvan de moeder zelf zegt dat er sprake is van trauma. Uit het rapport van de Raad blijkt dat sprake is van (het vermoeden van) drugsgebruik en psychische problematiek. Verder heeft de moeder verschillende gewelddadige relaties gehad. Zij is in 2023 haar huis uitgezet. De GI heeft in
de eerste helft van 2023 Video-interactiebegeleiding - Gehechtheid van De Rading aan de
moeder aangeboden. Maar het lukte te moeder niet om dit traject goed te volgen en af te
maken. Daarom is dat traject beëindigd. Vanaf maart 2024 is de moeder meermalen
gedetineerd geraakt. Een perspectiefonderzoek van [naam] kwam niet van de grond omdat
daarvoor als voorwaarde gold dat de moeder op vrije voeten was en een eigen woonruimte
had. Het is haar verder na een detentieperiode niet gelukt om gebruik te maken van het
aanbod van een plek in een beschermd-wonen-omgeving. Videobellen met [minderjarige] — wanneer de moeder niet gedetineerd was - lukte niet goed omdat de moeder de afspraken wisselend
nakwam. De moeder is kortom sinds december 2022 onvoldoende in staat (gebleken) voor
zichzelf, en daarmee ook voor [minderjarige] , een stabiel leefklimaat te creëren. Zij heeft haar leven
niet zo kunnen opbouwen dat ruimte ontstond om weer meer zorg te dragen voor [minderjarige] . Wel
is de moeder tijdens detentieperioden volgens de pleegmoeder en de GI beter aanspreekbaar
dan als zij op vrije voeten is.
De rechtbank verwacht niet dat de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare
termijn in staat is op een goede manier invulling te geven aan haar gezag, en dat zij niet de
verantwoordelijkheid kan dragen die het hebben van gezag met zich meebrengt. De
‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen voor [minderjarige] duidelijk moet zijn waar zij zal
opgroeien. Er is geen zicht op verbetering van de situatie op korte termijn. De moeder is nu
gedetineerd in een Penitentiaire Inrichting op grond van de ISD-maatregel. De moeder heeft
op de zitting verklaard dat zij traumaverwerking heeft aangevraagd en denkt op korte termijn een eerste intakegesprek te hebben. Het gaat om een klinische behandeling van drie dagen. Daarna hoopt ze snel buiten de Penitentiaire Inrichting te kunnen gaan wonen. Zij staat open voor (verdere) hulpverlening. De rechtbank verwacht niet dat de moeder binnen een tijdsbestek van een aantal maanden en dus binnen de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] in staat is het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Dit omdat de problematiek van de moeder al lang
bestaat en er sprake is van een combinatie van drugsproblematiek en psychische
problematiek. Het gaat niet alleen om traumaverwerking, maar ook om het tot stand brengen
van praktische zaken, zoals huisvesting en werk. De rechtbank verwacht dat het traject dat de moeder zal moeten doorlopen om niet alleen zelf stabiel te zijn, maar ook een stabiele
woonsituatie te creëren, veel meer tijd in beslag zal nemen. Dat is voor [minderjarige] te lang. Zij
woont al meer dan de helft van haar leven niet meer bij haar moeder. Het is voor haar
noodzakelijk dat duidelijk wordt bij wie ze zal opgroeien.
5.7.
Het hof voegt hier nog het volgende aan toe. De situatie van de moeder is sinds de bestreden beschikking niet in positieve zin veranderd. De moeder is in november niet teruggekeerd na een onbegeleid verlof en is toen teruggevallen in het gebruiken van drugs. Hierdoor is de omgang met [minderjarige] (tijdelijk) gestopt. Dit roept veel vragen en onduidelijkheid op bij [minderjarige] . Het hof ziet dat de moeder heel graag wil veranderen maar dat het haar toch niet lukt om voor [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie te creëren. [minderjarige] is nog maar vijf jaar oud en woont al drie jaar niet meer bij de moeder. De moeder is, gelet op haar eigen problematiek, niet in staat om nu en in de nabije toekomst goed voor [minderjarige] te zorgen. Hoewel de GI tijdens de zitting heeft benadrukt dat de moeder van goede wil is en dat in de toekomst de moeder misschien weer een grotere rol in het leven van [minderjarige] kan vervullen, is het op dit moment nodig dat het gezag van de moeder wordt beëindigd. Voor [minderjarige] is het noodzakelijk dat zij nu duidelijkheid krijgt over haar perspectief en dat zij kan blijven opgroeien in de stabiele en veilige situatie bij haar oma.
Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen).

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.H. Lieber en R. Krijger, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:266 lid 1 onder Pro a en b BW
2.Artikel 3 en Pro artikel 20 Verdrag Pro inzake de rechten van het kind