ECLI:NL:GHARL:2026:896

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.362.312/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 800 lid 3 RvArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige zorgen en vermoeden middelengebruik

De minderjarige staat sinds november 2022 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en is sinds oktober 2025 met spoed uit huis geplaatst. De moeder en vader zijn het niet eens met deze beslissingen en komen in hoger beroep. Het hof toetst de rechtmatigheid van de spoedmachtiging en de verlenging daarvan.

Er zijn langdurige ernstige zorgen over de opvoedingssituatie, waaronder vermoedens van alcohol- en drugsgebruik door de moeder, huiselijk geweld en verwaarlozing. Diverse hulpverleningsinstanties hebben intensieve ondersteuning geboden, maar de situatie verbeterde onvoldoende. De moeder erkent deels het middelengebruik, maar betwist de ernst.

Het hof oordeelt dat de spoedmachtiging terecht was vanwege het onmiddellijke gevaar voor de minderjarige en dat de verlenging tot mei 2026 noodzakelijk blijft. De moeder krijgt de mogelijkheid om haar draagkracht te verbeteren, maar de huidige situatie rechtvaardigt de uithuisplaatsing. De beslissingen van de kinderrechter worden bekrachtigd en het verzoek tot beperking van de machtiging wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtigingen tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 7 mei 2026 wegens ernstige zorgen en vermoeden van middelengebruik.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.312/01
zaaknummer rechtbank 202431
beschikking van 17 februari 2026
over de uithuisplaatsing van
[minderjarige1]( [minderjarige1] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.L. van Onna te Franeker,
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid(de GI),
gevestigd te Leeuwarden,
en
[belanghebbende](de vader),
die woont in [woonplaats2] .
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
locatie Leeuwarden.

1.Samenvatting

[minderjarige1] staat sinds 7 november 2022 onder toezicht van de GI. De maatregel geldt tot 7 mei 2026. De GI heeft op 27 oktober 2025 de kinderrechter verzocht een (spoed)machtiging te verlenen om [minderjarige1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. Op 27 oktober 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] verleend voor de duur van vier weken en op 7 november 2025 heeft de kinderrechter de machtiging verleend tot 7 mei 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren [in] 2020.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] .
2.3.
De moeder heeft naast [minderjarige1] nog een dochter, [minderjarige2] ( [leeftijd] ), geboren uit een eerdere relatie.
2.4.
[minderjarige1] staat sinds 7 november 2022 onder toezicht van de GI. Deze maatregel geldt tot 7 mei 2026.
2.5.
Er is in het gezin van de moeder in het vrijwillig kader en binnen de ondertoezichtstelling de volgende intensieve hulpverlening ingezet: 10 voor Toekomst, Netwerkpluz, Kort en Krachtig van het Leger des Heils, gebiedsteam, Gezins-therapeutisch Centrum Wolfert in Context (hierna WIC), MDFT en ambulante spoedhulp. Daarnaast is ondersteuning van Zorg & coaching Noord-Nederland ingezet.
2.6.
Op 9 september 2024 is [minderjarige2] samen met de moeder aangemeld bij WIC, om te onderzoeken of [minderjarige2] weer bij de moeder thuis zou kunnen gaan wonen na een kort verblijf op een crisisgroep. [minderjarige1] is meegenomen in deze aanmelding. De gezinsopname van de moeder met [minderjarige1] en [minderjarige2] bij WIC heeft gelopen van 30 oktober 2024 tot 26 maart 2025. Doel van deze gezinsopname was met betrekking tot [minderjarige1] om zicht te krijgen op de opvoedingsvaardigheden van de moeder, de interactie en hechting tussen de moeder en [minderjarige1] en op [minderjarige1] haar algehele ontwikkeling. WIC heeft gerapporteerd en advies uitgebracht op 7 april 2025.
2.7.
De vader is op 6 augustus 2025 zijn huis uitgezet en heeft tot op heden geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij heeft een wekelijks omgangsmoment met [minderjarige1] van 1,5 uur, dat begeleid wordt door de Omega Groep.
2.8.
[minderjarige2] is op vrijwillige basis uit huis geplaatst. Zij is in juli 2025 voor een gedeelte van de week naar een zorgboerderij gegaan en sinds begin oktober 2025 woont zij volledig in een gezinshuis.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [minderjarige1] uit huis te mogen plaatsen.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [minderjarige1] (met spoed) uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken, te weten tot 24 november 2025, en de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden. Die beslissing is mondeling gegeven op 27 oktober 2025 en op schrift gesteld op 28 oktober 2025.
3.3.
Daarna heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige1] verleend tot 7 mei 2026. Die beslissing is mondeling gegeven op 7 november 2025 en op schrift gesteld op 17 november 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt van beide beslissingen in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt of dat de duur van de machtiging wordt beperkt.
4.2.
De vader is het ook niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij vindt dat [minderjarige1] weer bij de moeder kan gaan wonen.
4.3.
De GI is het met de beslissingen van de kinderrechter eens en wil dat die beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, binnengekomen op 4 december 2025;
- de brief van de raad van 12 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- het verweerschrift van de GI;
- de stukken van de moeder van 23 december 2025;
- de stukken van de GI van 12 januari 2026;
- de stukken van de moeder van 15 januari 2026.
4.5.
De zitting bij het hof was op 20 januari 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting het woord mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen gevoerd.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. [1] De kinderrechter kan dat met spoed doen als er onmiddellijk en ernstig gevaar dreigt voor de kinderen. [2] De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt. [3]
Hoe oordeelt het hof?
Bestreden beschikking van 27 oktober 2025
5.2.
De spoedmachtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige1] liep tot 24 november 2025 en is dus al uitgevoerd (verlopen). Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel gegeven had mogen worden (rechtmatigheidstoets). Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing moet uitgegaan worden van de omstandigheden en zorgen zoals die ten tijde van het afgeven van de machtiging voorlagen aan de kinderrechter.
5.3.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter bij de bestreden beschikking van 27 oktober 2025 terecht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] in een pleeggezin heeft verleend voor de duur van vier weken. De machtiging is ook terecht met spoed gegeven. Dit betekent dat de beslissing van de kinderrechter in stand zal blijven (worden bekrachtigd).
5.4.
Toen de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleende, waren er al lange tijd steeds grotere zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige1] bij de moeder thuis, waarbij er vermoedens waren van middelengebruik door de moeder. [minderjarige1] is opgegroeid in een gezinssituatie die werd gekenmerkt door huiselijk geweld, verwaarlozing en instabiliteit. Zij is meerdere malen getuige geweest van de ernstige conflicten tussen de ouders, die vaak gepaard gingen met bedreigingen en agressie (zowel verbaal als fysiek, en zowel binnen de relatie als daarna). Er zijn hier meerdere politie- en Veilig Thuis meldingen van gemaakt. In verschillende meldingen staan vermoedens van alcohol- en middelengebruik beschreven (zowel bij de moeder als bij de vader).
Er is in de afgelopen jaren veel intensieve hulpverlening betrokken geweest bij de moeder en haar gezin, maar het is de moeder niet gelukt om het binnen de hulpverlening geleerde vast te houden.
5.5.
WIC heeft in de eindrapportage van 7 april 2025 onder meer geconcludeerd dat [minderjarige1] een beschadigd meisje is. Zij heeft veel meer nog dan de meeste andere kinderen van haar opvoeders nodig dat deze betrouwbaar en voorspelbaar zijn, dat ze haar emoties zien en begrijpen en hier op een trauma-sensitieve manier op kunnen reageren. Binnen het traject van het gezinsverblijf is het de moeder weliswaar, met intensieve hulp van de medewerkers van WIC, gelukt om over het algemeen meer structuur aan te brengen in de dag en [minderjarige1] voldoende te verzorgen, maar het gaat om vaardigheden die de moeder niet van nature bezit. Op advies van WIC is vervolghulpverlening ingezet in de thuissituatie van de moeder en de kinderen in de vorm van MDFT (MultiDimensionele FamilieTherapie), omdat de moeder in de thuissituatie alle zeilen moest bijzetten om de situatie voor [minderjarige1] 'goed genoeg' te houden.
5.6.
Enkele maanden na het traject bij WIC kwamen er echter weer zorgelijke signalen binnen. Zo heeft de MDFT-therapeut, die betrokken was bij de oudere halfzus [minderjarige2] , op 26 juni 2025 aangegeven dat [minderjarige2] zegt dat de moeder drugs gebruikt en drinkt. Ook ging de moeder meer en meer het contact met de MDFT-therapeut uit de weg. Op 9 juli 2025 is besloten dat [minderjarige2] tijdelijk naar een zorgboerderij zou gaan. De moeder erkende dat zij de zorg voor [minderjarige2] niet langer kon dragen en [minderjarige2] werd vervolgens begin oktober 2025 definitief (vrijwillig) uit huis geplaatst.
Op 2 oktober 2025 heeft de opa moederszijde aan de GI laten weten dat het niet goed ging met de moeder. Volgens hem was zij overbelast en onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige1] doordat zij hele dagen in bed lag. De moeder deed volgens de opa zorgelijke uitspraken over dat zij niet meer wilde leven. Daarom werd Ambulante Spoed Hulp van Jeugdhulp Friesland ingezet, die vervolgens forse veiligheidsrisico’s vaststelde. Deze risico’s waren onder andere gelegen in de lage draagkracht en beschikbaarheid van de moeder en haar alcoholgebruik in combinatie met lorazepam.
Op 23 oktober 2025 werden opnieuw zorgen gedeeld met de jeugdbeschermer. De gebiedsteammedewerker had een duidelijke alcohollucht bij de moeder waargenomen. Ook de coach van de moeder van Zorg & Coaching Noord-Nederland had vermoedens van alcoholgebruik en gaf aan dat de moeder op de bank lag en de zorg voor [minderjarige1] aan haar overliet. De moeder maakte al een overbelaste indruk en deze indruk is toegenomen.
Op 27 oktober 2025 nam de omgangsbegeleider van de vader contact op met de jeugdbeschermer. De moeder was de afspraak voor de omgang vergeten en was op dat moment bij de buurman op bezoek. De omgangsbegeleider heeft verklaard dat de moeder onder invloed was bij het ophalen van [minderjarige1] . De moeder stond volgens de omgangsbegeleider te zwalken op haar benen en zocht fysiek stabiliteit tijdens het gesprek met de omgangsbegeleider. De moeder kon volgens de omgangsbegeleider moeilijk uit haar woorden komen. De omgangsbegeleider constateerde verder dat de woning vol lag met onopgeruimde spullen en dat het aanrecht, de gootsteen en de kookplaat vol lagen met niet-afgewassen vaat en etensresten. Volgens de omgangsbegeleider zag het er in het geheel niet hygiënisch uit. De jeugdbeschermer en haar collega namen diezelfde dag bij een huisbezoek een alcohollucht waar bij de moeder. Ook zij beschreven de moeder als motorisch instabiel, waarbij de moeder samentrekkende ongecontroleerde bewegingen in haar gezicht en opgedroogd speeksel in haar mondhoeken had. De jeugdbeschermer heeft vervolgens in multidisciplinair verband de veiligheid van [minderjarige1] beoordeeld. Hierbij is geconcludeerd dat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige1] was, omdat haar veiligheid acuut in het geding was doordat de moeder onvoldoende beschikbaar voor haar was.
5.7.
De moeder is van mening dat de situatie op 27 oktober 2025 verkeerd is begrepen en dat [minderjarige1] bij haar niet in gevaar is geweest. De moeder betwist uitdrukkelijk het gestelde alcoholgebruik en heeft ter ondersteuning opnames van haar deurbel overgelegd. Het hof kan aan de hand daarvan inderdaad niet vaststellen dat de moeder onder invloed van alcohol was. Het tegendeel blijkt daar echter ook niet uit, omdat de camera gericht was op de voortuin van de woning van de moeder en de moeder op de beelden nauwelijks te zien is. Daartegenover is het alcoholgebruik door meerdere professionals geconstateerd en het hof heeft geen reden om niet van die constateringen uit te gaan. Afgaande op de verklaringen van de betrokken hulpverlening is er sprake van een patroon van alcoholgebruik (en een vermoeden van drugsgebruik), iets dat overigens door de moeder ook gedeeltelijk wordt erkend, maar niet als problematisch wordt gezien.
5.8.
Al het voorgaande maakt dat het hof onderschrijft dat op 27 oktober 2025 voldoende spoed aanwezig was om [minderjarige1] , zonder de ouders voorafgaand te horen, uit huis te plaatsen. Door de bestaande ernstige zorgen gecombineerd met het vermoeden van alcoholgebruik was er sprake van een onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige1] . Binnen twee weken, namelijk op 7 november 2025, heeft de kinderrechter de ouders gesproken op een zitting, waarmee aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Anders dan de moeder stelt was er geen andere minder ingrijpende optie voorhanden, ook niet middels inschakeling van de opa moederszijde. Deze heeft in een eerder stadium desgevraagd expliciet laten weten hierin geen rol te willen spelen.
Bestreden beschikking van 7 november 2025
5.9.
De bij deze beslissing verleende machtiging tot de uithuisplaatsing van [minderjarige1] loopt tot 7 mei 2026.
5.10.
Het hof vindt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] ook voor de resterende periode tot 7 mei 2026 terecht heeft verleend. Het hof vindt verder dat de kinderrechter deze beslissing goed heeft uitgelegd en neemt die uitleg daarom over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.11.
De hiervoor genoemde ernstige zorgen die hebben geleid tot de uithuisplaatsing van [minderjarige1] zijn nog altijd aanwezig.
5.12.
De moeder ziet de schoolgang van [minderjarige1] als de oplossing voor haar vermoeidheid en disbalans in draagkracht/draaglast. De GI en het hof zien dit anders. Weliswaar zal [minderjarige1] niet meer de hele dag thuis zijn als ze naar school gaat, maar de schoolgang van [minderjarige1] zou wel meer van de moeder vragen wat betreft het bieden van regelmaat en structuur aan [minderjarige1] .
Overigens heeft de GI, anders dan de moeder meent, bijzondere inspanningen verricht om [minderjarige1] te laten starten binnen het basisonderwijs of op een andere voor haar passende plek. Op dit moment loopt nog een onderzoek naar passend onderwijs voor [minderjarige1] en gaat [minderjarige1] nog niet naar school.
5.13.
De kinderrechter heeft overwogen dat er gelet op de bestaande zorgen eerst meer zicht moet worden verkregen op de situatie bij de moeder thuis, de vermoedens van alcoholgebruik en in hoeverre de moeder [minderjarige1] kan bieden wat zij nodig heeft. Daarbij kan helpend zijn dat de moeder alsnog een individueel behandelingstraject aangaat, zodat zij kan werken aan haar persoonlijke problematiek. Ook het hof is van oordeel dat dit onderzoek nodig is om te kunnen vaststellen wat [minderjarige1] en de moeder nodig hebben om [minderjarige1] bij de moeder thuis te kunnen laten opgroeien. Goed moet worden gekeken naar de mogelijkheden van de moeder nu [minderjarige2] niet meer in haar thuissituatie is. Mogelijk neemt hierdoor de draagkracht van de moeder toe. Aan dit aspect is nog onvoldoende aandacht besteed omdat het maar een heel korte periode is geweest dat de moeder alleen met [minderjarige1] was.
5.14.
Het bovenstaande maakt dat het hof van oordeel is dat de uithuisplaatsing van [minderjarige1] op dit moment in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Het hof ziet geen aanleiding om de machtiging voor een kortere duur te verlenen, zoals door de moeder is verzocht.

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 27 oktober 2025 over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] voor de duur van vier weken;
6.2.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 7 november 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige1] tot 7 mei 2026;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b lid 1 BW
2.Artikel 800 lid 3 Rv Pro
3.Artikel 1:265c lid 2 BW