ECLI:NL:GHARL:2026:893

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
200.355.411/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:392 BWArt. 1:404 lid 1 BWArt. 150 RvArt. 1:402 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: onvoldoende financiële gegevens man, vaststelling draagkracht en ingangsdatum

De zaak betreft een hoger beroep over de vaststelling van kinderalimentatie voor een minderjarige geboren in 2020. De man, juridische vader en onderhoudsplichtige, betwistte de hoogte van de alimentatie en stelde onvoldoende draagkracht te hebben. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op €270 per maand vanaf 25 februari 2025.

In hoger beroep leverde de man onvoldoende financiële stukken aan om zijn draagkracht te berekenen, ondanks toezeggingen. Hij had zijn onderneming in februari 2025 gestaakt en leefde deels van het inkomen van zijn partner. Zijn stelling dat hij slechts €25 per maand kon betalen werd niet onderbouwd. De vrouw verzocht tevens om de ingangsdatum van de alimentatie te vervroegen naar de datum van het verzoekschrift, 21 september 2023.

Het hof oordeelde dat de man onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie en daarom zijn draagkracht niet kon worden vastgesteld. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €238,76 per maand vanaf 21 september 2023, met jaarlijkse indexering. De ingangsdatum werd vastgesteld op de datum van het verzoekschrift, omdat de man toen al onderhoudsplichtig was. De grief van de man faalde, de grief van de vrouw slaagde.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de kinderalimentatie betrof en het hof stelde de alimentatie vast op het genoemde bedrag met terugwerkende kracht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op basis van de behoefte van het kind met terugwerkende kracht vanaf de datum van het verzoekschrift, omdat de man onvoldoende financiële gegevens aanleverde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.411/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 303075)
beschikking van 17 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
zonder advocaat, voorheen mr. B.H. van der Zwan te Rotterdam, die zich heeft onttrokken op 16 oktober 2025,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont op een geheim te houden adres,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 26 mei 2025;
- een journaalbericht namens de man van 10 juni 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 2 juli 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 5 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 5 augustus 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de man van 3 september 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de vrouw van 14 november 2025 met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man;
- de vrouw met haar advocaat.

3.Feiten

3.1.
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020. De man heeft [minderjarige] bij haar geboorte erkend, waardoor de man haar juridische vader is geworden en hij vanaf dat moment ook onderhoudsplichtig is voor haar [1] . [minderjarige] woont bij de vrouw.
3.2.
De vrouw heeft naast [minderjarige] nog twee andere minderjarige kinderen, van 10 en 2 jaar. De man heeft nog een minderjarig kind van 7 jaar.
3.3.
De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 21 september 2023, de rechtbank verzocht te bepalen dat de man vanaf de datum van
indiening van het verzoekschrift een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: de kinderalimentatie) van € 455,- per maand aan de vrouw zal voldoen. De man heeft verweer gevoerd.
3.4.
In de procedure bij de rechtbank heeft een verwantschapsonderzoek plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat de man de biologische vader van [minderjarige] is.

4.De omvang van het geschil

4.1.
In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] .
4.2.
In de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 februari 2025 bepaald op € 270,- per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.3.
De man komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op zijn draagkracht. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen - naar het hof begrijpt voor zover deze ziet op de door de man te betalen kinderalimentatie - en opnieuw rechtdoende de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen op € 25,- per maand.
4.4.
De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen. De vrouw komt op haar beurt in incidenteel hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de kinderalimentatie en deze op 20 september 2023, zijnde de datum van de indiening van het verzoekschrift, te stellen.
4.5.
De man voert verweer en hij verzoekt het verzoek van de vrouw in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5.De overwegingen voor de beslissing

Procedureel
5.1.
Ter zitting is besproken dat de man geen advocaat heeft. Het hof stelt vast dat de man niet (met stukken) heeft onderbouwd wat hij in de drie maanden, nadat zijn advocaat zich op 16 oktober 2025 heeft onttrokken, heeft gedaan om een nieuwe advocaat te krijgen. De man heeft ter zitting weliswaar gesteld dat hij contact heeft gezocht met het juridisch loket en een stuk of vier of vijf advocaten heeft gemaild en gebeld, maar dat is in deze niet voldoende. Vervolgens was de man ter zitting ambivalent over de vraag of hij een extra termijn zou willen om alsnog een andere advocaat te zoeken en voor het indienen van de benodigde stukken om zijn verzoek in hoger beroep te onderbouwen. Daartegenover staat dat de vrouw bezwaar heeft gemaakt tegen een eventuele aanhouding van de zaak. Zij wijst er onder meer op dat de man ondanks zijn eerdere toezeggingen, zowel in eerste instantie als in hoger beroep, nog steeds geen stukken heeft aangeleverd en er alles aan lijkt te doen om de procedure omtrent de kinderalimentatie te vertragen. Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om de man nog een extra termijn te geven om alsnog een andere advocaat te vinden. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van de vrouw om de zaak nu af te doen zwaarder dan het belang van de man bij verder uitstel.
Inhoudelijk
Behoefte [minderjarige]
5.2.
De ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen [2] . Hieruit volgt dat de in geding zijnde onderhoudsverplichting wordt begrensd door enerzijds de behoefte van [minderjarige] en anderzijds de draagkracht van de ouders.
5.3.
De behoefte van [minderjarige] is niet in geschil en staat daarmee vast. Deze behoefte bedraagt € 220,- per maand in 2020. Geïndexeerd naar 2025 is dit afgerond € 270,- per maand.
De draagkracht van de man
5.4.
Het hoger beroep van de man beperkt zich tot zijn draagkracht.
5.5.
De man stelt dat hij niet in staat is om het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. De rechtbank heeft volgens de man niet alleen geen betrouwbare alimentatieberekening kunnen maken, in verband met het feit dat er onvoldoende inzicht was gegeven in zijn financiële situatie, maar heeft ook ten onrechte bij de vaststelling geen rekening gehouden met zijn andere kind. De man verzoekt het hof de kinderalimentatie op € 25,- per maand te stellen nu hij onvoldoende inkomen heeft.
5.6.
De stelplicht en – bij betwisting – bewijslast van het ontbreken van draagkracht rust op degene die aangeeft geen of onvoldoende draagkracht te hebben om aan zijn of haar onderhoudsverplichting te kunnen voldoen [3] . In dit geval rust die verplichting dus op de man. Hij moet de nodige stukken overleggen waaruit zijn inkomen, vermogen en lasten blijken.
Het hof constateert dat de man een eenmanszaak exploiteerde (als pakketbezorger) en dat hij deze onderneming in februari 2025 is gestaakt. De man heeft een brief van de belastingdienst van 5 maart 2025 overgelegd, waarin staat dat zijn onderneming vanaf 19 februari 2025 is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Verder heeft de man in hoger beroep enkel de jaaropgave van zijn partner over 2024 en haar salarisspecificatie over maart 2025 overgelegd, stellende dat hij de afgelopen periode leefde van het inkomen van zijn partner. In eerste aanleg had de man over het jaar 2024 enkele bankafschriften en facturen van zijn onderneming overgelegd.
Verder heeft de man niets overgelegd. De nodige stukken, zoals de jaarrekeningen en de (juiste) aangifte en aanslag inkomstenbelasting over 2023, 2024 en 2025, ontbreken. Verder heeft de man geen stukken overgelegd met betrekking tot zijn inkomsten vanaf het staken van zijn onderneming in februari 2025.
5.7.
De man heeft ter zitting verklaard dat hij sinds het stoppen van zijn onderneming in februari 2025 tijdelijk, gedurende ongeveer zes maanden, als uitzendkracht op oproepbasis in de haven heeft gewerkt (auto’s van de boot naar de garage rijden), maar dat hij vanwege psychische problematiek op dit moment geen inkomsten meer heeft. Het hof constateert dat ook deze stelling door de man niet met stukken is onderbouwd. Niet inzichtelijk is gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet, noch is inzicht gegeven in zijn inspanningen om inkomsten te verwerven en in de kosten van [minderjarige] te (blijven) voorzien.
5.8.
In de bestreden beschikking is geoordeeld dat de man in eerste aanleg onvoldoende stukken heeft overgelegd om zijn draagkracht te kunnen berekenen. Het hof is van oordeel dat de man ook in hoger beroep onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd om tot een berekening te kunnen komen, terwijl het op de weg van de man lag om volledig inzicht te geven in zijn financiële situatie en zijn daarmee samenhangende draagkracht. Dit klemt temeer nu de man in zijn beroepschrift heeft toegezegd deze informatie te zullen verschaffen. De stelling van de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft om maandelijks € 270,- bij te dragen in de kosten van [minderjarige] kan het hof daardoor niet toetsen en zijn verzoek zal daarom worden afgewezen.
5.9.
Opgemerkt zij dat het feit dat de man nog een ander minderjarig kind heeft voor wie hij onderhoudsplichtig is, op zich relevant is voor de beoordeling van zijn voor alimentatie beschikbare draagkracht. Nu echter in het onderhavige geval de conclusie is dat de draagkracht van de man niet kan worden getoetst, kan het hof evenmin bepalen in hoeverre de onderhoudsplicht jegens dit andere kind daarop van invloed is. De onderhoudsplicht van de man voor zijn andere kind kan daarom de beslissing in deze zaak niet anders maken.
De ingangsdatum
5.10.
Het incidenteel hoger beroep van de vrouw beperkt zich tot de ingangsdatum van de kinderalimentatie.
5.11.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de kinderalimentatie dient te worden betaald vanaf de datum van de bestreden beschikking. Zij wijst erop dat de man reeds bij brief van haar advocaat van 7 september 2023 is gevraagd zijn meest recente financiële bescheiden te overleggen in het kader van de vaststelling kinderalimentatie en is van mening dat het voor rekening en risico van de man komt dat de procedure bij de rechtbank relatief lang heeft geduurd in verband met het onderzoek naar het biologisch vaderschap. Zij verzoekt de ingangsdatum te bepalen op 21 september 2023, de datum van indiening van het verzoekschrift. De man voert verweer. Hij stelt dat er bij toewijzing van dit verzoek van de vrouw sprake zal zijn van een zeer grote achterstand die hij gelet op zijn financiële situatie niet kan betalen.
5.12.
De rechter die een alimentatieverplichting oplegt, wijzigt of eindigt, stelt ook de ingangsdatum hiervan vast [4] . Bij het bepalen van die datum heeft de rechter een grote vrijheid. De rechter moet behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid als de rechter een wijziging wil laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, vooral als dit betekent dat een onderhoudsgerechtigde een terugbetalingsverplichting krijgt. Dat geldt ook voor de rechter in hoger beroep. Het hof is van oordeel dat de man vanaf het moment dat de vrouw een verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie bij de rechtbank heeft ingediend, te weten op 21 september 2023, rekening heeft kunnen en moeten houden met een gerechtelijke vaststelling van kinderalimentatie. Daar komt bij dat de man het hof er niet van heeft overtuigd dat hij niet in staat zou zijn om de achterstallige alimentatie te betalen. Ook in dit geval geldt dat de man het hof geen enkel zicht heeft verschaft in zijn financiële situatie. Het hof ziet daarom, anders dan de rechtbank, geen aanleiding om de ingangsdatum op een latere datum vast te stellen dan de datum van indiening van het verzoek tot kinderalimentatie. De omstandigheid dat er in de eerste aanleg discussie is ontstaan over het biologisch vaderschap, hetgeen heeft geleid tot een verwantschapsonderzoek dat enige tijd in beslag heeft genomen, maakt dat niet anders. De man is immers sinds haar geboorte juridische vader van [minderjarige] en was daarom op de datum van de indiening van het inleidend verzoek ook onderhoudsplichtig voor haar. Als ingangsdatum voor de kinderalimentatie zal daarom 21 september 2023 worden gehanteerd.
Eindconclusie
5.13.
Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.3. is overwogen bedroeg de behoefte van [minderjarige] in 2020 € 220,- per maand. De draagkracht van de vrouw staat tussen partijen niet ter discussie en het hof zal net als de rechtbank ook voor deze periode de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding [minderjarige] gelijkstellen aan de behoefte van [minderjarige] , nu de behoefte in deze zaak de beperkende factor is. Ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek in 2023 bedroeg de behoefte van [minderjarige] , na indexering, € 238,76 per maand.
5.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] met ingang van 21 september 2023 wordt vastgesteld op € 238,76 per maand. Dit bedrag dient uiteraard over de jaren nadien te worden verhoogd met de wettelijke indexering. Dit betekent dat de door de man te betalen kinderalimentatie in 2024 € 253,56 per maand bedroeg en in 2025 het door de rechtbank vastgestelde bedrag van (afgerond) € 270,- per maand. Per 1 januari 2026 bedraagt de kinderalimentatie € 282,46 per maand.

6.De slotsom

In het principaal hoger beroep
6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief van de man.
In het incidenteel hoger beroep
6.2.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] om doelmatigheidsredenen vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 25 februari 2025, voor zover daarin een beslissing is genomen over de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren [in] 2020,
- met ingang van 21 september 2023 tot 1 januari 2024 op € 238,76 per maand,
- met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 € 253,56 per maand,
- met ingang van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026 € 270,04 per maand,
- en met ingang van 1 januari 2026 € 282,46 per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard
en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op
17 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:392 BW Pro
2.Artikel 1:404 lid 1 BW Pro
3.Artikel 150 Rv Pro
4.Artikel 1:402 lid 1 BW Pro