Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
,afdeling civiel
[de minderjarige]( [de minderjarige] ),
[belanghebbende2](de pleegouders),
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De minderjarige, geboren in 2011, is sinds juni 2024 uit huis geplaatst en woont in een netwerkpleeggezin. De moeder, die het gezag heeft, is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en gaat in hoger beroep. De kinderrechter had de machtiging verlengd tot 11 september 2026.
Het hof oordeelt dat de verlenging terecht is omdat de minderjarige nog niet thuis kan wonen. De moeder is momenteel niet in staat een veilig en continu opvoedingsklimaat te bieden. De minderjarige weigert contact met de moeder vanwege eigen ervaringen en onverwerkte pijn. De GI houdt contactopbouw met de moeder als aandachtspunt, maar de minderjarige wil geen contact.
De minderjarige ontwikkelt zich goed in het pleeggezin, met positieve emotionele en onderwijsresultaten. Het hof weegt de zorgen van de moeder over neutraliteit van het pleeggezin af tegen het belang van de minderjarige en concludeert dat de verlenging noodzakelijk is. De moeder beroept zich op EVRM en IVRK, maar het hof acht de uithuisplaatsing niet in strijd met deze verdragsbepalingen.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 11 september 2026 wordt bekrachtigd.