ECLI:NL:GHARL:2026:891

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
21-005941-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 246 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep feitelijke aanranding van de eerbaarheid door militair

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een vrouwelijke militair, waarbij hij haar ongevraagd en op ontuchtige wijze aanraakte tijdens een busrit in februari 2023. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en doet opnieuw recht in hoger beroep.

De bewijslast berustte op de verklaringen van het slachtoffer en een getuige, die een gedetailleerd en consistent beeld schetsten van de seksuele aanrakingen door verdachte. Verdachte ontkende de ontuchtige aard van zijn handelingen en voerde een slaapstoornis aan als verklaring, maar dit werd door het hof verworpen vanwege de overtuigende verklaringen en de context van het gedrag.

Het hof achtte bewezen dat verdachte de borststreek en het linkerbovenbeen van het slachtoffer betast heeft, wat kwalificeert als feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Gelet op de ernst van het feit, de rang van verdachte en de impact op het slachtoffer, werd een taakstraf van 70 uur opgelegd. Tevens werd de immateriële schadevergoeding van €1.100 aan het slachtoffer toegewezen, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 70 uur en betaling van €1.100 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005941-23
Uitspraak d.d.: 16 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de militaire kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2023 met parketnummer 05-123408-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
eertijds [functie] , [verblijfplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte voor het primair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren. Tevens is de vordering van de benadeelde partij van € 1.100,-, geheel toegewezen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 19 februari 2023 te [plaats] , althans in Duitsland , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, een persoon, te weten [benadeelde] , (meermalen) heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door onverhoeds en/of ongevraagd en onaangekondigd, op ontuchtige wijze, de linkerborst(streek) en/of het linkerbovenbeen van die [benadeelde] te betasten;
subsidiair
hij op of omstreeks 19 februari 2023 te [plaats] , althans in Duitsland , opzettelijk een persoon, te weten [benadeelde] , die toen militair was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, (meermalen) feitelijk heeft aangerand door toen en daar met dat opzet, onverhoeds en/of ongevraagd en/of onaangekondigd, op ontuchtige wijze, de borst(streek) en het linkerbovenbeen van die [benadeelde] te betasten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs [1]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hetgeen de verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd wordt hierna weergegeven.
Oordeel van het hof
Het hof stelt het volgende vast.
[benadeelde] heeft verklaard dat zij met collega’s was wezen stappen in [plaats] ( Duitsland ). Op de terugweg in de bus van [plaats] naar de kazerne in [plaats] op 19 februari 2023 had zij een gesprek met [getuige] die naast haar zat en verdachte die achter haar in de bus zat. Het gesprek werd steeds meer seksueel van aard en op een gegeven moment vroeg verdachte aan haar wanneer zij voor het laatst was klaargekomen. Aangeefster vond dit een rare en ongepaste vraag.
Aangeefster verklaarde dat verdachte daarna begon met aanraken over de stoelleuning heen, waarbij hij met zijn hand over haar sleutelbeen en de bovenkant van haar borst wreef. Aangeefster verklaarde dat zij daardoor bevroor en er niets van durfde te zeggen. [getuige] zei haar dat ze voor zichzelf moest opkomen en heeft volgens aangeefster 2 à 3 keer de hand van verdachte weggetikt. Verdachte ging vervolgens met zijn hand en arm tussen het raam en de stoel van aangeefster in de richting van haar bovenbeen. Hij wreef over de binnenzijde van haar bovenbeen in de richting van haar lies. Na een plaspauze ging verdachte weer met zijn hand tussen het raam en haar stoel in. Hij ging weer over haar been wrijven. Zij heeft toen uiteindelijk de moed gevonden en op een beleefde manier gevraagd of hij er mee op kon houden omdat zij het vervelend vond. Hij liet toen haar been los, maar liet zijn arm liggen. Daarna is hij in slaap gevallen. [2]
[getuige] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte in de bus over de stoel heen hing en met zijn hand leunend op de schouder/halverwege de borst van aangeefster. Hij deed dat op een strelende manier waarbij zijn hand afzakte richting haar borst. [getuige] schatte dat de hand van verdachte halverwege de borst net boven de tepel zat. Op het moment dat dit gebeurt boog aangeefster naar hem toe en vroeg wat ze moest doen. Zij gaf aan dat ze het heel naar vond. Dit heeft aangeefster een paar keer tegen hem gezegd. [getuige] wist niet wat hij ermee moest en heeft tegen haar gezegd dat zij haar bek moest opentrekken als ze het niet wilde. Dat heeft aangeefster toen niet gedaan. Zij is wat stilletjes gaan zitten. [getuige] heeft toen uit zichzelf een tikkie gegeven tegen de hand of arm/elleboog van verdachte. De hand ging toen een stuk terug richting de leuning van verdachtes stoel. Daarna ging de hand vrij snel weer richting de borst van aangeefster en begon verdachte aangeefster weer te strelen. Dat ging over de kleding heen. Aangeefster heeft meerdere keren gevraagd wat ze ermee moest. [getuige] heeft meerdere keren aangegeven dat zij voor zichzelf moest opkomen en dat het niet uit maakte dat verdachte [functie] was. Op een gegeven moment zag [getuige] dat de hand van verdachte op het been en bij de lies van aangeefster lag. Verdachte had zijn hand langs het raam en de stoel van aangeefster en maakte strelende bewegingen. Ook [getuige] heeft verklaard dat verdachte na de plaspauze weer achter hen ging zitten en een beetje ging liggen in de stoel. Hij deed zijn hand weer tussen stoel en raam richting de lies van aangeefster. Volgens [getuige] zei aangeefster toen iets van What the fuck, hij doet het weer. Hij zag toen dat verdachte zijn hand weer bij de lies van aangeefster had liggen. [getuige] heeft toen gezegd dat als aangeefster er niks van ging zeggen hij dat zou doen. Toen heeft aangeefster er wat van gezegd en heeft verdachte zijn hand weggehaald. [3]
Op grond van deze bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte de borststreek en het linkerbovenbeen van aangeefster heeft betast.
Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad over de stoel van aangeefster heeft gehangen en later met zijn hand/arm tussen het raam en de stoel van aangeefster is geweest. Verdachte ontkent echter dat daarbij sprake is geweest van ontuchtige aanrakingen. Verdachte stelt dat hij aangeefster niet bewust heeft aangeraakt en dat hij geen strelende bewegingen heeft gemaakt. Ook stelt verdachte dat hij op enig moment in slaap is gevallen. Volgens verdachte is zijn hand toen mogelijk naast aangeefster terechtgekomen en heeft hij haar toen aangeraakt. Verdachte werd wakker toen aangeefster hem vroeg om zijn hand weg te halen. Dat heeft hij toen gedaan. De verdediging heeft in dat verband resultaten van een slaaponderzoek overgelegd, waaruit volgt dat verdachte lijdt aan een slaapstoornis waardoor het mogelijk is dat verdachte in zijn slaap onbewust uitlatingen doet en gedragingen verricht.
De lezing van verdachte vindt weerlegging in de hiervoor weergegeven en andersluidende bewijsmiddelen. Op grond van die verklaringen stelt het hof vast dat sprake was van bewuste aanrakingen en dat verdachte pas nadat aangeefster hem had gevraagd te stoppen in slaap is gevallen.
Uit de aard van de aanrakingen en de context waarin deze plaatsvonden – te weten strelende, afzakkende bewegingen richting de tepel van de borst van aangeefster en aanrakingen op haar been richting haar lies na een gesprek over seks waarin verdachte al een ongepaste vraag had gesteld – leidt het hof af dat de aanrakingen een ontuchtig karakter hadden en de lading ervan door verdachte ook zo werd bedoeld.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster en van [getuige] bij de Koninklijke Marchaussee (KMar) onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat die verklaringen pas na enkele weken zijn afgelegd en deze getuigen elkaar daarom beïnvloed kunnen hebben, zeker omdat zij een affectieve relatie met elkaar hadden.
Het hof deelt dat standpunt dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn niet. Het gaat om concrete en gedetailleerde verklaringen die eenzelfde verloop van de gebeurtenissen beschrijven. Dat deze verklaringen op elkaar zijn afgestemd, is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat aangeefster en [getuige] later een affectieve relatie met elkaar kregen of die mogelijk al hadden, is daartoe onvoldoende. Ook stelt het hof vast dat zowel [getuige] als aangeefster al vrij snel na het gebeuren met anderen daarover hebben gesproken en dat hetgeen zij toen hebben beschreven in grote lijnen overeenkomt met hetgeen zij later en, mede aan de hand van doorvragen, gedetailleerder bij de KMar hebben verklaard. Zo volgt uit het dossier dat aangeefster direct de volgende dag melding heeft gemaakt van het voorval en gesprekken gehad met [naam] en de [naam] en [getuige] dezelfde week nog een gesprek met verdachte heeft gehad.
[naam] verklaarde bij de KMar dat hij zag dat aangeefster had gehuild. Aangeefster vertelde hem dat zij door verdachte was aangeraakt en dat naarmate de busreis vorderde het gefriemel niet minder werd. Aangeefster vertelde hem dat zij aan de zijkant van haar been en aan de zijkant van haar lichaam was aangeraakt. [naam] verklaarde dat hij de middag nadat het voorval had plaatsgevonden een gesprek met aangeefster heeft gehad en dat aangeefster in dat gesprek had aangegeven dat verdachte vanaf de raamkant zijn hand op haar been had gelegd en na een plaspauze wederom.
Uit deze verklaringen volgt niet alleen dat aangeefster al direct melding heeft gemaakt van hetgeen was voorgevallen maar ook dat zij daarbij emotioneel was. Ook die omstandigheid betrekt het hof in dit geval bij zijn oordeel dat het gaat om een authentieke en betrouwbare verklaring.
Het standpunt van de verdediging dat aangeefster in de gesprekken nog niet over aanrakingen aan het bovenlichaam heeft gesproken en haar verklaringen dus later heeft aangepast en deze daarom dus onbetrouwbaar zijn deelt het hof niet. Dat ook “bij de kapitein en de [naam] ” niet alleen over het bovenbeen maar ook over de schouder is gesproken volgt uit de verklaring van verdachte bij de KMar. Ook over het gesprek met [getuige] heeft verdachte verklaard dat [getuige] bij hem heeft voorgedaan hoe er volgens [getuige] in de schouder was geknepen.
In dat verband alsook naar aanleiding van het standpunt van de verdediging dat het anatomisch niet mogelijk is om tussen het raam en de stoel door met de hand aan “de binnenkant van het been en bij de lies” te wrijven, merkt het hof op dat schouder en bovenkant van de borst richting de tepel enerzijds en zijkant van het lichaam en bovenkant bovenbeen richting de lies anderzijds aanduidingen van plaatsen op het lichaam zijn die erg dichtbij elkaar liggen en elkaar deels overlappen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks19 februari 2023
te [plaats] , althansin Duitsland , door
geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld ofeen
anderefeitelijkheid, een persoon, te weten [benadeelde] ,
(meermalen
)heeft gedwongen tot het dulden van
een of meerontuchtige handelingen, door onverhoeds en
/ofongevraagd en onaangekondigd, op ontuchtige wijze, de
linkerborst(streek) en
/ofhet linker bovenbeen van die [benadeelde] te betasten.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de door de rechtbank opgelegde straf door het hof aan verdachte wordt op gelegd.
De raadsman heeft zich niet over een eventueel op te leggen straf uit gelaten.
Naar het oordeel van het hof is de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich als [functie] schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een vrouwelijke soldaat. Hij heeft daarbij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en ook een onveilige situatie gecreëerd voor het slachtoffer dat geconfronteerd werd met handtastelijkheden door een [functie] en daarmee een meerdere in rang. Dat acht de militaire kamer van het hof zeer kwalijk. Bovendien was verdachte ook nog eens twintig jaar ouder. Verdachte had een voorbeeldfunctie en heeft het vertrouwen dat aangeefster in hem als [functie] en militair meerdere had, geschonden.
De taakstraf van zeventig uren zoals de militaire kamer van de rechtbank die eerder heeft opgelegd, acht ook het hof dan ook passend en geboden.
Dat neemt niet weg dat het hof ook ziet dat dit alles zeer zware gevolgen voor verdachte heeft gehad. Verdachte heeft vele jaren bij Defensie gewerkt en is als gevolg van deze zaak ontslagen. De impact daarvan op hem persoonlijk en op zijn gezinsleden is groot.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.100,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De aard en de ernst van de normschending brengen in een geval als dit mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en de omstandigheid dat de hoogte van het gevorderde bedrag door de verdediging niet is betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.100,00 (duizend honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.100,00 (duizend honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 februari 2023.
Aldus gewezen door
mr. T. Bertens, voorzitter,
mr. A. van Maanen, lid, en commodore mr. A.A.W.K. Appels, militair lid,
in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,
en op 16 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. A.A.W.K. Appels is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, proces-verbaalnummer 20230314.1330.0979 (doorgenummerd 1 t/m 62). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 7-9.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 29-31.