ECLI:NL:GHARL:2026:890

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
21-005027-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens medeplegen hennepteelt met halvering wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland die een ontnemingsvordering van €164.491,24 oplegde aan betrokkene wegens medeplegen van hennepteelt.

Het hof baseert zich op het arrest in de hoofdzaak waarin betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 januari 2018 tot en met 17 september 2018. Uit het dossier en het ontnemingsrapport volgt dat de kwekerij ongeveer zes maanden in werking was met twee gerealiseerde oogsten. Het hof berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van aantallen plantenbakken, opbrengst per plant, verkoopprijs en kosten, en komt tot een bruto bedrag van circa €117.494.

Gezien aanwijzingen dat ook een ander voordeel heeft genoten, halveert het hof het bedrag tot €58.746,87. De verdediging voerde onder meer aan dat betrokkene geen aandeel had en dat de redelijke termijn was overschreden. Het hof constateert de termijnoverschrijding, maar acht dit reeds meegenomen in de strafzaak en beperkt zich tot een constatering.

Het hof vernietigt de eerdere beslissing en legt de betalingsverplichting aan betrokkene op tot €58.746,87, met een maximale gijzelingstermijn van 587 dagen. De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht zoals van toepassing ten tijde van de procedure.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €58.746,87 en legt de betalingsverplichting aan betrokkene op.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005027-23
Uitspraakdatum: 16 februari 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 17 oktober 2023 met het parketnummer 18-134042-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 2 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. J.C. van Galen, hebben aangevoerd.

De beslissing

De rechtbank heeft bij beslissing van 17 oktober 2023 aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 164.491,24 opgelegd, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv Pro ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 540 dagen.
Het hof verenigt zich niet met deze beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing en doet het opnieuw recht.

De ontnemingsvordering

Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 243.629,58. Daarnaast heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg ter zitting gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 234.987,48.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep, wordt geschat op € 211.589,78 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene geen aandeel had in de hennepteelt en daarvan dus ook geen voordeel heeft genoten. Voor het geval het hof tot een ander oordeel zou komen, verzoekt de raadsman om bij het bepalen van het voordeel rekening te houden met de volgende matigende omstandigheden. De conclusie dat er vier keer zou zijn geoogst, is op onzorgvuldige wijze vastgesteld. Het openbaar ministerie is er immers niet in geslaagd om meer dan één oogst aannemelijk te maken. Verder dient gekeken te worden naar het beperkte aandeel en de rol van betrokkene. Daaruit volgt dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de totale financiële opbrengst van de kwekerij bij betrokkene terecht is gekomen. Daarnaast heeft het er alle schijn van dat het aantal potten in de kwekerij niet goed is geteld. Ook dienen de stroomkosten in mindering gebracht te worden. Ten slotte is de redelijke termijn overschreden en dient gelet hierop het ontnemingsbedrag met 35% naar beneden te worden vastgesteld.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Grondslag voor de ontnemingsmaatregel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 16 februari 2026 in de zaak met parketnummer 21-005026-23 veroordeeld tot een straf voor – kort gezegd – het meermalen plegen van medeplegen van hennepteelt, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid. Deze veroordeling heeft betrekking op feiten gepleegd in de periode 1 januari 2018 tot en met 17 september 2018.
Bewijsmiddelen
Het hof is – anders dan de raadsman – van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene in verband met het in de strafzaak bewezenverklaarde feit financieel voordeel heeft genoten.
Het hof komt op basis van het arrest in de hoofdzaak en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 15 oktober 2018 [1] tot de volgende berekening van dat voordeel.
Periode
Het hof gaat voor de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend uit van het arrest van dit hof van 16 februari 2026, waarbij betrokkene is veroordeeld voor voornoemde feiten gepleegd in de periode 1 januari 2018 tot en met 17 september 2018. Uit de daaraan ten grondslag liggende bewijsoverwegingen volgt dat het hof ervan uitgaat dat de kwekerij in die periode tot juli 2018 in werking is geweest. Als uitgangspunt voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook een periode van (ongeveer) 6 maanden genomen.
Wijze van berekenen
Bij de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, neemt het hof het hierboven. genoemde “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij" als uitgangspunt.
Gelet op de daarnaast door het hof vastgestelde ‘kweekperiode’ van 6 maanden en de uit het ontnemingsrapport volgende kweekperiode van 10 tot 12 weken per geslaagde oogst, gaat het hof uit van 2 gerealiseerde oogsten.
Uit het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij (in het arrest genoemd onder bewijsmiddel 1) en het ontnemingsrapport volgt dat in kweekruimte 1 280 plantenbakken en in kweekruimte 2 294 plantenbakken zijn aangetroffen. De foto’s op pagina 587 van het procesdossier – waarnaar de raadsman heeft verwezen – geven niet een volledig beeld van de hoeveelheid plantenbakken die daar aanwezig waren. Zij geven slechts een beeld van hoe de ruimte eruitzag. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de hoeveelheid plantenbakken die door de verbalisant zijn gerelateerd. De verdediging heeft deze bevindingen naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende weersproken. Het hof gaat daarom uit van 280 plantenbakken in kweekruimte 1 en 294 plantenbakken in kweekruimte 2: in totaal 574 kweekbakken.
Het hof zal geen stroomkosten, zoals is aangevoerd door de raadsman, in mindering brengen op het ontnemingsbedrag, omdat het hof van oordeel is dat die kosten niet met stukken zijn onderbouwd en daarmee onvoldoende aannemelijk zijn geworden.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:
Ruimte 1:
Opbrengst280 planten x 27,7 gram opbrengst per hennepplant = 7,756 kilogram
7,756 kilogram x € 4.070 verkoopprijs hennep = € 31.566,92
Totale bruto opbrengst van 2 oogsten bedraagt 2 x € 31.566,92 = € 63.133,84
KostenAfschrijvingskosten volgens rapport functioneel afpakken = € 200,-
Hennepstekken van 280 planten x 3.81 = € 1.066,80
Variabele kosten van 280 planten x 3.88 = € 1.086,40
Elektriciteitskosten = geen
Kosten knippers van 280 planten x 2.00 = € 560,-
Huisvestingskosten = geen
Totale kosten per oogst = € 2.913,20
Totale kosten van 2 oogsten bedraagt 2 x € 2.913,20 = € 5.826,40
Ruimte 2:
Opbrengst294 hennepplanten x 27,7 gram opbrengst per hennepplant = 8,143 kilogram
8,143 kilogram x € 4.070 verkoopprijs hennep = € 33.142,01
Totale bruto opbrengst van 2 oogsten bedraagt 2 x € 33.142,01 = € 66.284,02
KostenAfschrijvingskosten volgens rapport functioneel afpakken = € 200,-
Hennepstekken van 280 planten x 3.81 = € 1.120,14
Variabele kosten van 280 planten x 3.88 = € 1.140,72
Elektriciteitskosten = geen
Kosten knippers van 280 planten x 2.00 = € 588,-
Huisvestingskosten = geen
Totale kosten per oogst = € 3.048,86
Totale kosten van 2 oogsten bedraagt 2 x € 3.048,86 = € 6.097,72
Het wederrechtelijk verkregen voordeelOpbrengst ruimte 1 van 2 oogsten (€ 63.133,84) + opbrengst ruimte 2 van 2 oogsten
(€ 66.284,02) = € 129.417,86
Kosten ruimte 1 van 2 oogsten (€ 5.826,40) + kosten ruimte 2 van 2 oogsten (€ 6.097,72) = € 11.924,12
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 129.424,38 - € 11.924,12 = € 117.493,74
Verdeling
Uit het aan het aan wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag liggende arrest volgt een veroordeling voor medeplegen. Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en wat op de zitting van het hof is besproken aannemelijk is geworden dat ook een ander wederrechtelijk voordeel heeft genoten van de hennepteelt. Om deze reden zal het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel halveren. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op (€ 117.493,74 – 50 % =)
€ 58.746,87.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof overweegt met betrekking tot de op te leggen betalingsverplichting dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschonden in zowel eerste aanleg als hoger beroep.
Als aanvangstijdstip van de redelijke termijn heeft in deze zaak te gelden 28 maart 2019 (de datum van het verhoor van betrokkene bij de politie over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel). De rechtbank heeft eerst op 17 oktober 2023 de onderhavige beslissing gegeven. De rechtbank is om die reden niet binnen twee jaar na het aanvangstijdstip van de redelijke termijn tot een einduitspraak gekomen. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg bedraagt ruim 2 jaar en 6 maanden.
Betrokkene heeft op 30 oktober 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof is dus ook niet binnen twee jaar na het aanvangstijdstip van de redelijke termijn tot een einduitspraak gekomen. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt ruim 3,5 maanden.
Gelet op de omstandigheid dat het hof de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak gelijktijdig heeft berecht en het tijdsverloop ongeveer gelijk is geweest, en het hof in de strafzaak de termijnoverschrijding al in strafmatigende zin heeft meegenomen bij de hoogte van de opgelegde taakstraf, wordt in de ontnemingszaak met de enkele constatering van de termijnoverschrijding volstaan.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van
€ 58.746,87.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
58.746,87 (achtenvijftigduizend zevenhonderdzesenveertig euro en zevenentachtig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 58.746,87 (achtenvijftigduizend zevenhonderdzesenveertig euro en zevenentachtig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 587 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. R. Godthelp en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. A. Abdulkarim en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 februari 2026.

Voetnoten

1.Een schriftelijk bescheid, te weten het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 15 oktober 2018, apart opgenomen bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018187012 (Eekhoorn/NNRBA180222) d.d. 11 juli 2019.