ECLI:NL:GHARL:2026:848

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
200.362.611/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking omgangsregeling grootouders met kinderen na overlijden moeder

Na het overlijden van de moeder van de kinderen ontstond een geschil over de omgangsregeling tussen de kinderen en hun grootouders. De vader, die sindsdien het ouderlijk gezag heeft, wilde de omgang beperken, terwijl de grootouders een ruime omgang en voorlopige toevertrouwing vorderden.

De voorzieningenrechter stelde een omgangsregeling vast waarbij de grootouders wekelijks op woensdag tot donderdagochtend en om het weekend omgang hadden. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis en beperkte de omgang tot een weekend per twee weken, van vrijdag na school tot maandag voor school, met een regeling voor vakanties en brengmomenten.

Het hof oordeelde dat omgang met de grootouders in het belang van de kinderen is vanwege hun nauwe band en het belang van een liefdevol netwerk na het verlies van hun moeder. Tevens werd een dwangsom van maximaal €5.000,- opgelegd om nakoming van de regeling af te dwingen. De vordering tot schorsing van de vader werd afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het hof beperkt de omgangsregeling tot een weekend per twee weken bij de grootouders en legt een dwangsom op bij niet-nakoming door de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.611/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202388
arrest in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiser en als verweerder in reconventie,
hierna:
de vader,
advocaat: mr. J.D. Nijenhuis te Leeuwarden,
en

1.[geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],
die beiden wonen in [woonplaats2] ,
die incidenteel hoger beroep hebben ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optraden als eisers in reconventie, gedaagden in conventie,
hierna samen:
de grootoudersen ieder afzonderlijk
[geïntimeerde1]en
[geïntimeerde2],
advocaat: Mr. H. Plantenga te Amsterdam.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
locatie Leeuwarden.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
De vader heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de voorzieningenrechter) op 10 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
De grootouders hebben bij hun memorie van antwoord incidenteel hoger beroep ingesteld met eigen grieven.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep, tevens vordering in het incident tot schorsing
  • de memorie van grieven, tevens vordering in het incident tot schorsing
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
  • het proces-verbaal en het vonnis in een tweede kort geding op 16 december 2025.
1.2.
Op 5 januari 2026 hebben [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (hierna: de kinderen) gesproken met een raadsheer en griffier van het hof. Zij hebben hierbij verteld wat zij van het contact met hun grootouders vinden.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de grootouders met hun advocaat en een vertegenwoordiger van de raad.

2.De kern van de zaak

2.1.
De vader heeft een affectieve relatie gehad met de moeder van de kinderen, tevens de dochter van de grootouders. Na het verbreken van de relatie in 2018 oefenden de ouders samen het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen woonden bij de moeder en er was een zorgverdeling voor omgang met de vader gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag tot zondag en minstens twee weken aaneengesloten in de zomervakantie. Na een kort en plotseling ziekbed is de moeder op 5 oktober 2025 overleden. Gedurende haar ziekbed verbleven de kinderen bij de grootouders.
2.2.
Sinds het overlijden van de moeder heeft de vader van rechtswege alleen het ouderlijk gezag. Op 6 oktober 2025 heeft de vader aan de grootouders een bericht gestuurd dat hij de kinderen op 8 oktober 2025 bij hen wil komen ophalen om bij hem thuis te komen wonen. Toen de grootouders hieraan geen gehoor gaven, heeft de vader bij de voorzieningenrechter in de rechtbank veroordeling van de grootouders gevorderd tot afgifte van de drie kinderen aan hem binnen 24 uur na het vonnis, dan wel binnen een termijn die de voorzieningenrechter in het belang van de kinderen acht.
2.3.
De grootouders hebben op hun beurt primair voorlopige toevertrouwing van de kinderen gevorderd met een voorlopige omgangsregeling met de vader, alsmede een spoedonderzoek door de raad naar het hoofdverblijf van de kinderen en de omgangsregeling. Zij hebben daarbij ook een dwangsom gevorderd van € 250,- per dag of dagdeel dat de vader in strijd met de verzochte regeling handelt of nalaat uitvoering eraan te geven. Subsidiair hebben de grootouders gevorderd om een omgangsregeling tussen hen en de kinderen te bepalen, die erop neerkomt dat de kinderen elke woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school en om het weekend van vrijdag uit school tot maandagochtend aanvang schooltijd, en de helft van alle schoolvakanties bij hen verblijven.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 10 november 2025 de vordering van de vader toegewezen. Verder is de primaire vordering van de grootouders afgewezen en de subsidiaire vordering, voor zover dit de wekelijkse omgang van woensdagmiddag tot donderdagochtend en de omgang om het weekend betreft, toegewezen. Voor het overige is de vordering van de grootouders afgewezen.
2.5.
De bedoeling van het hoger beroep van de vader is dat de toegewezen subsidiaire vordering van de grootouders alsnog worden afgewezen. Daarnaast wil de vader dat de omgang tussen de kinderen en hun grootouders per direct wordt geschorst.
De grootouders vorderen in incidenteel hoger beroep te bepalen dat de kinderen voorlopig aan hen worden toevertrouwd totdat de rechtbank op basis van een rapport van de raad een definitieve beslissing heeft genomen in de bodemprocedure, met vaststelling van een voorlopige omgangsregeling waarbij de kinderen om het weekend van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend na school bij de vader verblijven, op straffe van een dwangsom. Subsidiair vorderen de grootouders dat tussen hen en de kinderen een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen om de week en gedurende de helft van de schoolvakanties bij hen verblijven, op straffe van een dwangsom en tenuitvoerlegging met de sterke arm van de politie indien de vader nalaat daaraan uitvoering te geven. Meer subsidiair vorderen de grootouders nakoming van de bij vonnis in kort geding van 10 november 2025 vastgestelde omgangsregeling, op straffe van een dwangsom.
2.6.
Op 16 december 2025 heeft er opnieuw een kort geding tussen partijen plaatsgevonden. De vader vorderde in dit kort geding dat de omgangsregeling met de grootouders niet langer zal gelden en dat diverse spullen van de kinderen aan hem zullen worden afgegeven. De voorzieningenrechter heeft, voor zover hier van belang, de vordering van de vader ten aanzien van de omgangsregeling afgewezen, en de meer subsidiaire vordering van de grootouders tot het opleggen van een dwangsom bij niet-nakoming van de omgangsregeling door de vader toegewezen. De voorzieningenrechter heeft daarbij geoordeeld de omgangsregeling uit het vonnis van 10 november 2025 niet te zullen aantasten. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 is geen hoger beroep ingesteld.

3.De toelichting op de te nemen beslissing van het hof

Spoedeisend belang
3.1.
In een kort geding moet het hof altijd beoordelen of de partij die de voorziening vraagt daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. Die vraag wordt beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof.
3.2.
Bij de gevraagde voorziening bestaat, naar de aard van de zaak, voldoende spoedeisend belang. Het hof is allereerst van oordeel dat de omstandigheid dat op 16 december 2025 een nieuwe voorziening is getroffen, niet betekent dat de vader geen belang meer heeft bij het huidige hoger beroep. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2025 betreft immers, voor zover thans van belang, slechts een aanvulling van de op 10 november 2025 getroffen voorziening. Het betreft verder vorderingen over en weer die zien op het verblijf van, en omgang met, de kinderen. Na het overlijden van de moeder hebben partijen zelf geen afspraken kunnen maken over de kinderen. Ook nu kunnen zij het hierover niet eens worden. De grootouders hebben in december 2025 een verzoek bij de rechtbank ingediend om de verblijfplaats van, en een omgangsregeling met, de kinderen vast te stellen, maar het is nog niet bekend wanneer dat verzoek door de rechtbank zal worden behandeld. Het is in het belang van de kinderen dat zij tot de beslissing van de rechtbank weten wanneer zij bij de vader en wanneer zij bij de grootouders zullen zijn. Het hof komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.
Schorsing
3.3.
De vader heeft verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de voorzieningenrechter te schorsen totdat in hoger beroep is beslist. Omdat het hof nu een eindarrest zal geven, heeft de vader niet langer belang bij schorsing, zodat wat hij hierover naar voren heeft gebracht niet hoeft te worden besproken. Het hof zal het verzoek tot schorsing afwijzen.
Verblijfplaats kinderen
3.4.
Naar het oordeel van het hof is er op dit moment geen aanleiding om de verblijfplaats van de kinderen voorlopig te verplaatsen in afwachting van een rapport van de raad. Er zijn geen aanwijzingen dat er zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen bij de vader of van andere omstandigheden die een voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan de grootouders nodig zouden maken. Het hof volgt hierin het advies van de raad en zal de vordering van de grootouders om de kinderen voorlopig aan hen toe te vertrouwen afwijzen.
Omgangsregeling
3.5.
De grootouders spelen al een langere periode een relevante rol in het leven van de kinderen. Na het verbreken van de affectieve relatie tussen de vader en de moeder van de kinderen hebben de kinderen enkele maanden met hun moeder bij de grootouders ingewoond. Nadien waren de grootouders betrokken bij de ondersteuning van de moeder die het leeuwendeel van de opvoeding van de kinderen op zich nam. Ook tijdens de meest recente zeer ingrijpende periode tijdens en na het ziekbed van de moeder werden de kinderen door de grootouders verzorgd. Het hof ziet in deze omstandigheden voldoende reden om in het kader van deze kortgedingprocedure vooralsnog aan te nemen dat er een nauwe persoonlijke betrekking is tussen de grootouders en de kinderen.
3.6.
Het hof acht omgang tussen de grootouders en de kinderen in het belang van de kinderen. De levens van de kinderen zijn in korte tijd volledig op hun kop gezet. Hun moeder overleed en kort daarna kwamen ze voltijds te wonen bij de vader die ze daarvoor beperkt in het weekend zagen. Om hun verlies en rouw een plek te kunnen geven hebben zij baat bij een zo groot en liefdevol mogelijk netwerk. De grootouders vormen een belangrijk deel van dat netwerk. Het hof is verder van oordeel dat het vastleggen van een regeling noodzakelijk is omdat de onderlinge verhouding van partijen zodanig is verstoord dat niet verwacht kan worden dat zonder een vastgelegde regeling omgang zal plaatsvinden, laat staan met een zodanig frequentie en intensiteit dat daarmee recht wordt gedaan aan het belang van de kinderen.
3.7.
De omgangsregeling zoals die door de voorzieningenrechter is vastgesteld, wekelijks van woensdag op donderdag en om het weekend, acht het hof echter te ruim. Het zorgt in een toch al turbulente periode voor aanvullende frictie tussen partijen en voor onrust voor de kinderen door de vele wisselmomenten. Het hof is van oordeel dat een regeling waarbij de kinderen een weekend per twee weken, van vrijdag uit school tot maandag naar school, bij de grootouders verblijven beter passend is bij de huidige situatie.
3.8.
Gedurende vakanties zal, zolang deze voorziening van kracht is, de weekendregeling in stand blijven. Op momenten dat het weekend niet begint of eindigt op een schooldag worden de kinderen naar de ontvangende partij gebracht: door de vader naar de grootouders op een vrijdag waarop er geen school is en vice versa op een maandag waarop er geen school is. Het staat partijen hierbij vrij een voor de kinderen vertrouwde derde in te schakelen als zij dit nodig of gepast achten.
Dwangsom
3.9.
In hun eis in reconventie hebben de grootouders subsidiair gevorderd te bepalen dat de omgangsregeling zal gelden op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag (of dagdeel) dat de vader in strijd met de omgangsregeling handelt of nalaat uitvoering daaraan te geven. Inmiddels is gebleken dat de vader zich tot op heden niet heeft gehouden aan de eerdere uitspraken en de daarin vastgelegde omgangsregelingen. Om de nakoming van de omgangsregeling te waarborgen zal het hof deze vordering toewijzen, tot een maximum van € 5.000,-.
Proceskosten
3.10.
Voor zover de grootouders hebben beoogd in hun memorie van antwoord te vorderen dat de vader veroordeeld zal worden in de kosten van het hoger beroep, zal deze vordering worden afgewezen. Het hof zal bepalen dat elke partij de eigen kosten zal dragen (compensatie van proceskosten), omdat het een familierechtelijke zaak betreft.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident (schorsing)
wijst de vordering van de vader tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 november 2025 af;
in de hoofdzaak
vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 november 2025, wat betreft de onder 6.2 van het dictum bepaalde voorlopige omgangsregeling tussen de kinderen en de grootouders en wat betreft het afwijzen van het subsidiaire verzoek door de grootouders tot het opleggen van een dwangsom en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school (of via de brengregeling zoals opgenomen onder 3.8) bij de grootouders verblijven, te beginnen op 20 februari 2026;
bepaalt dat de vader een dwangsom verschuldigd is van € 250,- per dag (of dagdeel) waarop hij in strijd met deze regeling handelt of nalaat uitvoering daaraan te geven, met een maximum van € 5.000,-;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.H.P. Selcraig, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en L. van Dijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.