ECLI:NL:GHARL:2026:820

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.361.987/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige na hoger beroep vader

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland heeft een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van een minderjarige van 18 september 2025 tot 1 februari 2026. De vader is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en verzocht onder meer om schorsing van de uitvoerbaarheid en vernietiging van de beschikking.

Het hof heeft het schorsingsverzoek van de vader ingetrokken en verklaart hem daarom niet-ontvankelijk in dat verzoek. De machtiging tot uithuisplaatsing is inmiddels verlopen, maar het hof toetst nog of deze terecht is verleend. Vaststaat dat de minderjarige haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had en dat partijen het eens zijn over de noodzaak van de uithuisplaatsing.

Omdat het hoger beroep van de vader niet kan leiden tot het bij hem laten wonen van de minderjarige en er geen geschil is over de noodzaak van uithuisplaatsing, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke rechtsmatigheidstoets. Het hof wijst het beroep van de vader af en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het hoger beroep van de vader af zonder inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.361.987/01 en 200.361.987/02
zaaknummer rechtbank Gelderland 455892
beschikking van 12 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont op een geheim adres
advocaat: mr. M.J.R. Roethof
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C. Huy

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen van 18 september 2025 tot 1 februari 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen drie kinderen waarvan [minderjarige] de jongste is. [minderjarige] is geboren [in] 2014 in [geboorteplaats] .
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat onder toezicht van de GI. [minderjarige] woonde voor de uithuisplaatsing bij haar moeder. Op 21 augustus 2025 is zij geplaatst op een crisisplek. Begin december 2025 is zij naar een kleinschalige woongroep gegaan.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 21 augustus 2025 verzocht [minderjarige] met spoed uit huis te mogen plaatsen. De kinderrechter heeft dit verzoek op diezelfde datum toegewezen en een machtiging voor de duur van vier weken afgegeven.
3.2.
In de beschikking van 3 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [minderjarige] uit huis te plaatsen van 18 september 2025 tot
1 februari 2026 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vaderis het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij verzoekt de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Daarnaast wil hij dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst. Hij verzoekt het hof subsidiair om een deskundige te benoemen om te onderzoeken of [minderjarige] bij de vader kan wonen. Meer subsidiair verzoekt hij om de duur van de uithuisplaatsing te verkorten. Ook verzoekt hij de GI in de proceskosten voor beide instanties te veroordelen.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft.
4.3.
De moederis het eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing;
  • een brief van mr. Huy met producties;
  • het verweerschrift van de GI;
  • de e-mail van mr. Roethof van 7 januari 2026 met een productie.
  • de brief van de raad van 9 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
4.5.
[minderjarige] heeft op 5 januari 2026 (digitaal via
Teams) gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat (beiden digitaal via
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de moeder met haar advocaat.

5.Het oordeel van het hof

In de zaak met zaaknummer 200.361.987/02(het schorsingsverzoek)
5.1.
De vader heeft zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing van de kinderrechter op de zitting ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de vader de gronden van het schorsingsverzoek niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn schorsingsverzoek.
In de zaak met zaaknummer 200.361.987/02(de hoofdzaak)
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een machtiging geven om kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van kinderen of voor onderzoek van kinderen [1] .
Hoe oordeelt het hof?
5.3.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] liep tot 1 februari 2026 en is dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven.
5.4.
Uit de toelichting die de vader heeft gegeven op zijn verzoek om de uithuisplaatsing van [minderjarige] ongedaan te maken, blijkt dat de vader wil dat [minderjarige] bij hem komt wonen. Dit doel kan echter niet worden bereikt met het hoger beroep van de vader. Vast staat dat toen [minderjarige] uit huis werd geplaatst, zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had. Dit betekent dat als het hof de beslissing over de uithuisplaatsing zou vernietigen, [minderjarige] bij de moeder had moeten blijven wonen.
Dat [minderjarige] niet bij de moeder kon wonen staat verder niet ter discussie. De moeder vindt het jammer en verdrietig dat [minderjarige] uit huis is geplaatst, maar zij legt uit dat die uithuisplaatsing nodig was. De vader zegt dat het niet goed ging met [minderjarige] bij de moeder en dat [minderjarige] daar niet kon wonen. Er bestaat er dan ook geen verschil van mening tussen partijen over de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing (vanuit moeder) nodig was. Dit betekent ook dat de verzoeken van vader in hoger beroep al daarop stranden en het hof aan een verdere inhoudelijke beoordeling op basis van een rechtsmatigheidstoets niet toekomt. Om de hiervoor genoemde redenen komt het hof ook niet aan het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vader toe.
5.5.
Het hof zal de verzoeken van de vader daarom afwijzen en de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing van [minderjarige] in stand laten (bekrachtigen).
5.6.
Deze procedure gaat over (de uithuisplaatsing van) het kind van de vader en de moeder. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep daarom compenseren, in die zin dat de vader, de moeder en de GI ieder hun eigen kosten moeten betalen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.361.987/02
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep;
in de zaak met zaaknummer 200.361.987/01
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 september 2025, over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ;
wijs het meer of anders verzochte af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.J.M. van de Voort, R. Feunekes en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.