ECLI:NL:GHARL:2026:818

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.354.612
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:84 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vergoedingsrecht man op gemeenschap bij echtscheiding met uitsluitingsclausule erfenis

Partijen zijn in 2005 gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw verzocht in 2024 echtscheiding, welke in 2025 door de rechtbank werd uitgesproken. Het geschil betreft het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap wegens een erfenis met uitsluitingsclausule en investeringen in de gezamenlijke woning.

De man stelde dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor investeringen uit de erfenis en de schenking van zijn tante, waarbij de beleggingsleer van toepassing is op het deel dat in de woning is geïnvesteerd. De vrouw erkende een deel van dit recht, maar betwistte de hoogte en stelde dat overige gelden zijn opgegaan aan huishoudkosten, waarvoor de man geen vergoedingsrecht heeft.

Het hof oordeelde dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 95.464 op de ontbonden gemeenschap, inclusief investeringen in de woning en de schenking. Tevens werd bepaald dat de vrouw de helft van de door de man betaalde hypotheekaflossingen na de peildatum moet vergoeden, maar geen wettelijke rente verschuldigd is. De bestreden beschikking werd deels vernietigd en het hoger beroep deels gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof stelt het vergoedingsrecht van de man op de ontbonden gemeenschap vast op € 95.464 en veroordeelt de vrouw tot vergoeding van de helft van de hypotheekaflossingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.612
(zaaknummers rechtbank Gelderland 432549 en 438673)
beschikking van 12 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam]
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. G.M. Koert,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. de Mare.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 februari 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met de processtukken uit de eerste aanleg en productie 15, ingekomen
op 9 mei 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met productie 1;
- een journaalbericht van mr. Koert van 27 mei 2025 met ontbrekende producties uit de
eerste aanleg;
- een journaalbericht van mr. De Mare van 17 oktober 2025, met producties 2 en 3;
- een journaalbericht van mr. Koert van 21 oktober 2025, met producties 16 tot en met 23.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2005 gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2
De vrouw heeft op 26 februari 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan.
3.3
Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 8 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.4
Naast de uitgesproken echtscheiding heeft de rechtbank in de bestreden beschikking:
- bepaald dat het nog minderjarige kind van partijen haar hoofdverblijfplaats bij de
man heeft;
- beslist over de kinderalimentatie en
- de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de hoogte van het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap.
4.2
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en:
  • zijn vergoedingsrecht ter zake zijn investeringen in de echtelijke woning vast te stellen op € 92.249,17 waarbij wordt uitgegaan van de waarde van de woning op het moment van zijn investering en van de hypotheekschuld per 26 februari 2024 en (subsidiair) voor het geval de hypotheekschuld tegen een latere datum dan de peildatum in de verdeling van de woning wordt betrokken: de vrouw daarnaast te veroordelen tot vergoeding van de helft van de bedragen die de man vanaf 26 februari 2024 op de hypothecaire lening heeft afgelost, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • zijn vergoedingsrecht voor het meerdere vast te stellen op € 25.700.
4.3
De vrouw voert verweer en is op haar beurt met één grief in (incidenteel) hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen, de bestreden beschikking deels te vernietigen en het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap te bepalen op € 39.749,42.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De grieven van partijen zien, met uitzondering van de vierde grief van de man, op het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap en vertonen onderlinge samenhang. Het hof zal die grieven daarom gezamenlijk bespreken.
5.2
Partijen zijn gehuwd in 2005 zonder het maken van huwelijkse voorwaarden en hebben ook tijdens hun huwelijk geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Als gevolg daarvan waren zij gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen zoals die gold tot 1 januari 2018. Dat betekent dat die gemeenschap in beginsel alle goederen van partijen omvat die zij bij het aangaan van hun huwelijk al hadden en alle goederen die zij tot de ontbinding van de gemeenschap hebben verkregen. Niet in de gemeenschap vallen – voor zover hier van belang – goederen die een van partijen met een uitsluitingsclausule heeft verkregen: goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van een erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap blijven.
5.3
Tussen partijen staat vast dat de man tijdens het huwelijk (in 2012) een erfenis van zijn vader heeft ontvangen. Tot die erfenis behoort een geldbedrag van € 63.006, een caravan en een saldo op een beleggingsrekening. Op grond van het testament van de vader van de man geldt ten aanzien van die erfenis een uitsluitingsclausule. Daarnaast heeft de man tijdens het huwelijk (in 2023) van zijn tante een schenking van € 2.694 ontvangen waarop ook een uitsluitingsclausule van toepassing is. Ook dat is niet betwist door de vrouw en staat daarmee vast. De hiervoor genoemde bedragen van € 63.006 en € 2.694 zijn door de man ontvangen op een bankrekening die alleen op zijn naam stond.
5.4
De man heeft gesteld dat van het door hem ontvangen bedrag van € 63.006 uit de erfenis in de periode 2013/2014 ruim € 40.000 is geïnvesteerd in de (verbouwing van) de gezamenlijke woning en dat hij ten aanzien van dat bedrag een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. Op dit vergoedingsrecht is volgens hem de beleggingsleer van toepassing. Ten aanzien van de rest van de erfenis stelt de man dat hij een nominaal vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap.
5.5.
De vrouw erkent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 21.985,12 vanwege de verbouwing van de gezamenlijke woning en dat op dit vergoedingsrecht de beleggingsleer moet worden toegepast op de wijze zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Ook erkent zij dat de man een nominaal vergoedingsrecht op gemeenschap toekomt ten aanzien van de schenking van zijn tante (€ 2.694) en ten aanzien van een investering van € 6.400 uit de erfenis in een Mini Cooper, totaal € 9.094.
5.6.
Ten aanzien van het overige stelt de vrouw dat de erfenis is opgegaan aan de kosten van de huishouding. Omdat de inkomens van partijen onvoldoende waren om die kosten geheel te kunnen dragen en omdat partijen geen liquide gezamenlijk vermogen hadden was de man volgens de vrouw op grond van de wet verplicht om vanuit zijn privévermogen die (hogere) kosten van de huishouding voor zijn rekening te nemen [1] . De man heeft voor dat meerdere daarom volgens de vrouw geen vergoedingsrecht.
erkende vergoedingsrechten en uitwerking daarvan
5.7
Partijen zijn het er onderling over eens dat ten aanzien van een gedeelte van de door de man ontvangen gelden de beleggingsleer moet worden toegepast, namelijk dat gedeelte van de erfenis dat in de woning is geïnvesteerd. Partijen verschillen wel van mening over de hoogte van deze investering. De man gaat uit van een investering van € 42.238,99 en de vrouw van voormelde € 21.985,12 (in eerste aanleg stelde zij dit op € 23.509,72). Partijen zijn het er ook niet eens over welke aanvangswaarde van de woning uit moet worden gegaan.
5.8
De rechtbank heeft de navolgende formule gehanteerd:
(getaxeerde waarde woning : € 268.000) x geïnvesteerd bedrag. De vrouw kan zich vinden in die formule, de man deels niet. Volgens hem dient niet van de aanschafwaarde van de woning van € 268.000 te worden uitgegaan, maar van de waarde van de woning ten tijde van de investering. Die was volgens hem € 210.300. De vrouw betwist dat.
5.9
Het hof zal, net als de rechtbank, uitgaan van de aanschafwaarde. Die was volgens de vrouw en de nota van afrekening van destijds overigens € 268.250, zodat het hof daarmee zal rekenen. Dat is een waarde die verifieerbaar uit de stukken blijkt. De man heeft, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aangetoond dat de waarde van de woning ten tijde van de investeringen in 2013/2014 € 210.300 was. De man heeft ter onderbouwing van die waarde enkel een algemene uitdraai van internet overgelegd over de gemiddelde prijsontwikkeling van twee-onder-een-kapwoningen in Gelderland van 2008 tot 2013. Dat is echter geen waardebepaling van de woning. Ter zitting heeft de man nog aangeboden de woning op gezamenlijke kosten alsnog te laten taxeren per 2013, maar daarmee is de man naar het oordeel van het hof te laat.
5.1
De vrouw erkent ten aanzien van een bedrag van € 21.985,12 dat de man een vergoeding toekomt gerelateerd aan de waardestijging van de woning, zodat het hof daar ook vanuit zal gaan. De door de man gestelde extra investering in de woning komt niet vast te staan omdat de man deze stelling tegenover de betwisting van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien heeft de man op zitting erkend dat niet meer te achterhalen is van welk geld er nu precies is geïnvesteerd in de woning. Aldus komt het hof, de formule van de rechtbank volgend en uitgaande van de inmiddels getaxeerde waarde van de woning van € 485.000 en de aanschafwaarde van € 268.250, op een vergoeding van afgerond op hele euro’s € 39.749.
5.11
De vrouw heeft daarnaast ook erkend dat de man een nominaal vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van de schenking van zijn tante en de investering van € 6.400 in de Mini Cooper. Dit is in totaal € 9.094 en het hof gaat daar dan ook van uit.
overig vergoedingsrecht en de kosten van de huishouding
5.12
Ten aanzien van het vergoedingsrecht van de man waarover partijen het niet eens zijn overweegt het hof als volgt.
5.13
Naast de erfenis en de schenking ontving de man, zo verklaarde hij op de zitting, op de betreffende bankrekening ook zijn salaris en werden er van deze bankrekening kosten van de huishouding en andere gemeenschapsschulden voldaan. Dat betekent dat het privévermogen van de man is vermengd met gemeenschapsvermogen (inkomen) en dat er een vermogensverschuiving heeft plaatsgevonden waardoor de gemeenschap is gebaat. De man heeft daarom in beginsel een nominaal vergoedingsrecht op de gemeenschap gekregen. Voor zover de vrouw stelt dat die vordering niet of niet geheel geldend kan worden gemaakt ligt het op haar de weg om feiten en omstandigheden te stellen waaruit dat volgt. [2]
5.14
De man weerspreekt niet dat partijen gedurende het huwelijk meer geld uitgaven dan dat er aan inkomen binnen kwam. De man betwist echter wel dat, zoals de vrouw stelt, op grond van artikel 1:84 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de kosten van de huishouding voor zover die meer waren dan de gezamenlijke inkomsten ten laste van zijn privévermogen (de erfenis) moeten komen. Hij heeft aangevoerd dat op grond van artikel 1:84 BW Pro een rangorde geldt ten aanzien de inkomsten en vermogens ten laste waarvan die kosten moeten komen. Daaruit volgt volgens de man dat nu de (gezamenlijke) inkomsten van partijen niet voldoende waren om de kosten van de huishouding geheel te voldoen, het gezamenlijk vermogen die kosten dient te dragen. Dat gezamenlijk vermogen is volgens hem de overwaarde van de woning en het saldo op de aan de hypotheekschuld gekoppelde beleggingsrekening. De vrouw stelt daartegenover dat er weliswaar gemeenschappelijk vermogen was in de vorm van een woning en een aan de hypotheek gekoppelde beleggingsrekening, maar dit dat vermogen niet liquide was. Ter zitting is door de vrouw nog gesteld dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt om niet te bezuinigen en er niet voor te kiezen om eventueel niet liquide vermogen liquide te maken en dat de (meerkosten) van de kosten van de huishouding zouden worden betaald door privévermogen van de man ter beschikking te stellen, zonder dat dit op enig moment terugbetaald hoefde te worden.
5.15
Vast staat dus dat partijen meer uitgaven dan zij aan inkomen binnenkregen. Vast staat ook dat de gelden op de bankrekening op naam van de man zo goed als geheel zijn gebruikt om de (meer)kosten van de huishouding, ofwel gemeenschapsschulden, te betalen. Verder staat vast dat op de peildatum (26 februari 2024) de overwaarde in de woning ruimschoots groter was dan het vergoedingsrecht van de man.
5.16
Het hof moet in deze de vraag beantwoorden of het vergoedingsrecht van de man (deels) teniet is gegaan door het betalen van gemeenschapsschulden, omdat er op het moment van betaling geen liquide gemeenschapsvermogen was, maar wel liquide privévermogen, terwijl de gemeenschap op de peildatum voldoende solvabel is gebleken om deze schulden te dragen. Zoals het hof al eerder heeft overwogen in een beschikking van 7 mei 2024 (ECLI:NL:GHARL:3189) zijn daarbij de eerste twee leden van artikel 1:84 BW Pro van belang. Lid 1 regelt de draagplicht op grond waarvan gemeenschappelijke schulden uit gemeenschappelijk vermogen betaald zouden moeten worden. Lid 2 regelt het ter beschikking stellen van voldoende gelden om de gemeenschappelijke schulden te voldoen (de fourneerplicht). Daarbij wordt uitgegaan van een fourneerplicht overeenkomstig de draagplicht. Als daarvan wordt afgeweken kunnen er vergoedingsrechten ontstaan. Naar het oordeel van het hof is dat hier het geval en legt hierna uit waarom.
5.17.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat bijzondere omstandigheden zich kunnen verzetten tegen de volgorde van de fourneerplicht. Daarbij stond de wetgever voor ogen dat het bijvoorbeeld onredelijk kan zijn dat een tot de gemeenschap behorend goed onder ongunstige omstandigheden met aanzienlijk verlies te gelde gemaakt zou moeten worden, terwijl een van de privévermogens voldoende liquide middelen bevat om de hier bedoelde uitgaven tijdelijk te dekken. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het hof in deze zaak voor. Ook hier ontbrak het de gemeenschap op dat moment aan liquiditeit en was het niet reëel die liquiditeit te realiseren. Dat zou namelijk betekenen dat partijen hun woning hadden moeten verkopen, terwijl de man beschikte over voldoende liquide middelen om de uitgaven te betalen, te weten - onder uitsluitingsclausule verkregen - gelden op zijn bankrekening. De stelling van de vrouw dat partijen (stilzwijgend) hadden afgesproken het liquide vermogen van de man aan te wenden en het gezamenlijk vermogen van partijen niet te gelde te maken ligt daarmee in lijn. Dat betekent echter nog niet dat partijen hebben afgesproken dat de man zijn vergoedingsrecht heeft prijsgegeven. Voor zover dit de strekking van de stelling van de vrouw is slaagt die niet. De fourneerplicht is immers niet hetzelfde als de draagplicht. Bovendien heeft de man die strekking betwist door te stellen dat hij een vergoedingsrecht heeft. De vrouw, op wie de stelplicht en bij betwisting de bewijslast rust ten aanzien van het niet te gelde kunnen maken van het vergoedingsrecht door de man, is er naar het oordeel van het hof niet in geslaagd om dat aan te tonen.
conclusie
5.18
Dat betekent dat de man een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft ter grootte van het door hem onder uitsluiting ontvangen bedrag. Vast staat dat hij een geldbedrag € 63.006 heeft geërfd, een caravan, saldo op een beleggingsrekening en een schenking van zijn tante van € 2.694). Ten aanzien van de beleggingsrekening ontbreken gegevens en de man heeft dat verder ook niet toegelicht of in zijn berekeningen verwerkt, zodat het hof deze ook buiten beschouwing laat. Niet ter discussie staat ook dat de caravan tijdens het huwelijk is verkocht voor € 12.000 en dit geld in de gemeenschap is gevloeid. Dat die caravan, zoals de vrouw stelt, slechts voor een/derde deel onder de uitsluitingsclausule zou vallen kan het hof niet volgen. Ten aanzien van de gehele nalatenschap gold de uitsluitingsclausule, dus ook ten aanzien van de caravan. Dat de erfgenamen de nalatenschap vervolgens hebben verdeeld, waarbij de caravan aan de man is toegedeeld, brengt daar geen verandering in.
5.19
Het vergoedingsrecht van de man op de ontbonden gemeenschap is, gelet op het voorgaande, als volgt:
- € 63.006 -/- € 21.985 = € 41.021
- € 12.000 ( opbrengst caravan)
- € 2.694 ( schenking tante)
- € 39.749 ( investering woning)
Derhalve een vergoedingsrecht van in totaal van € 95.464 op de ontbonden gemeenschap. In zoverre slagen de grieven 1 tot en met 3 van de man.
aflossingen op de hypothecaire schuld
5.2
Niet in geschil is dat vanaf de peildatum de man de aflossingen heeft voldaan van de hypothecaire geldlening. Hij verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw hem daarvan de helft dient terug te betalen. De vrouw voert aan dat de man sinds de peildatum alleen het genot van de woning heeft en het daarom redelijk is dat hij dan ook de lasten van de woning draagt, inclusief de aflossingen. Het hof volgt de vrouw daarin voor zover het niet de aflossingen betreft. Vanaf de peildatum is de gemeenschap ontbonden en zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor de gemeenschapsschulden, waaronder dus ook de aflossingen op de hypotheekschuld. De man heeft de aflossingen op de hypothecaire lening voldaan en heeft daarmee meer afgelost dan waartoe hij in de onderlinge verhouding tussen partijen gehouden was. De vrouw dient daarom alsnog de helft van de door de man betaalde aflossingen aan hem te vergoeden, nu ook niet gesteld of gebleken is dat partijen andere afspraken ten aanzien van de aflossingen hebben gemaakt. De vrouw heeft, voor het geval zij toch de helft van de aflossingen zou moeten voldoen, berekend dat het in dat geval gaat om vijftien maanden en een aflossing van € 290,18 per maand. De man heeft dat niet betwist. De vrouw dient daarom aan de man € 2.176,35 ([15 x € 290,18] :2) te voldoen wegens de aflossingen. De man heeft daarnaast nog verzocht te bepalen dat de vrouw daarover de wettelijke rente is verschuldigd, maar dat wijst het hof af nu van verzuim geen sprake is. Grief 4 van man slaagt, met uitzondering van het verzoek ten aanzien van de wettelijke rente.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven gedeeltelijk. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 9.094 en een bedrag gelijk aan de getaxeerde waarde van de woning gedeeld door € 268.000 vermenigvuldigd met € 23.509,72 (onderdeel 4.7 van de beslissing, tweede bullet en zestiende gedachtestreepje) en beslissen als hierna vermeld.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 februari 2025, voor zover daarin is bepaald dat aan de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 9.094 en een bedrag gelijk aan de getaxeerde waarde van de woning gedeeld door € 268.000 vermenigvuldigd met € 23.509,72 (onderdeel 4.7 van de beslissing, tweede bullit en zestiende gedachtestreepje) en in zoverre opnieuw beschikkende:
7.2
bepaalt dat de man een vergoedingsvordering heeft van € 95.464 op de ontbonden huwelijksgemeenschap;
7.3
bepaalt aanvullend dat de vrouw aan de man € 2.173,35 moet voldoen wegens door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening;
7.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
7.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, S. Kuijpers en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.artikel 1:84 BW Pro
2.ECLI:HR:2019:504 (5 april 2019)