Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- zijn vergoedingsrecht ter zake zijn investeringen in de echtelijke woning vast te stellen op € 92.249,17 waarbij wordt uitgegaan van de waarde van de woning op het moment van zijn investering en van de hypotheekschuld per 26 februari 2024 en (subsidiair) voor het geval de hypotheekschuld tegen een latere datum dan de peildatum in de verdeling van de woning wordt betrokken: de vrouw daarnaast te veroordelen tot vergoeding van de helft van de bedragen die de man vanaf 26 februari 2024 op de hypothecaire lening heeft afgelost, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- zijn vergoedingsrecht voor het meerdere vast te stellen op € 25.700.