ECLI:NL:GHARL:2026:813

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
200.352.692
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:265g BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging zorgregeling weekend voor minderjarige

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. Na eerdere afspraken en een ondertoezichtstelling is een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader drie van de vier weekenden zorg draagt. De moeder verzoekt deze regeling te wijzigen naar om het weekend verblijf bij de vader.

Het hof constateert dat de omstandigheden zijn gewijzigd, onder meer doordat de ondertoezichtstelling is beëindigd en de zorgregeling tijdens vakanties is aangepast. De moeder voert aan dat de huidige regeling te belastend is en dat er sprake is van ruzies tussen de vader en zijn partner in het bijzijn van het kind, wat de vader betwist.

Het hof acht de zorgen onvoldoende onderbouwd en stelt dat het contact tussen het kind en beide ouders goed is. De raad voor de kinderbescherming adviseert de zorgregeling niet te wijzigen, omdat de spanningen vooral voortkomen uit de verstoorde communicatie tussen ouders. Het hof volgt dit advies en wijst het verzoek van de moeder af, omdat de huidige regeling rust en duidelijkheid biedt en het belang van het kind het beste dient.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling in het weekend af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.692
(zaaknummer rechtbank Gelderland 439892)
beschikking van 12 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.H. Bouwman

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 15 januari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 439892. Het hof zal deze beschikking verder noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 25 maart 2025;
-een e-mail van mr. De Gruijl van 5 januari 2026 met productie.
2.2
De minderjarige [minderjarige] heeft in een brief (van 2 september 2025) aan het hof zijn mening gegeven over het verzoek.
2.3
De zitting was op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- namens de vader zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De moeder, haar advocaat en de advocaat van de vader hebben digitaal (via Teams) deelgenomen aan de zitting.
3. De feiten
3.1
De moeder en de vader hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [geboorteplaats] . De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Bij het vonnis van de voorzieningenrechter (van de rechtbank Gelderland, hierna: de voorzieningenrechter) van 17 december 2018 is een vaststellingsovereenkomst over de omgangsregeling aangehecht en opgenomen in het vonnis. Voor zover hier van belang is in deze overeenkomst opgenomen over de vakanties en feestdagen:
“Op feestdagen en in de zomervakantie en in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] de helft van de tijd bij zijn vader en de helft van de tijd bij zijn moeder. Voor de overige vakanties geldt de gebruikelijke omgangsregeling. Dit in verband met het werk van vader.
In de planning wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met Vaderdag en met de verjaardag
van vader (bij vader) en met Moederdag en met de verjaardag van moeder (bij moeder). Ook
houden de ouders rekening met de verjaardagen en andere belangrijke gebeurtenissen van
naaste familieleden van de ouders zodat [minderjarige] deze zoveel mogelijk kan bijwonen”.
3.3
Bij de beschikking van de kinderrechter (van de rechtbank Gelderland, hierna: de kinderrechter) van 17 mei 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de
gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI),
met ingang van 17 mei 2022. Deze ondertoezichtstelling is hierna telkens door de
kinderrechter verlengd, voor het laatst tot 17 mei 2025.
3.4
Bij de beschikking van 11 oktober 2022 heeft de kinderrechter op grond van artikel 1:265g BW een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vastgesteld, die inhoudt dat de zorgverdeling zoals opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank van
17 december 2018 wordt gewijzigd en (...):
- er contact is tussen [minderjarige] en de vader gedurende drie weekenden per maand van
vrijdag na school tot zondag 18.00 uur ( [minderjarige] heeft gegeten bij de vader), waarbij
de vader [minderjarige] op vrijdag van school ophaalt en de moeder op zondag [minderjarige] bij
de vader ophaalt;
- tijdens vakanties de vader [minderjarige] om 10.00 uur bij de moeder ophaalt, en de moeder
[minderjarige] op de laatste zorgdag bij de vader om 18.00 uur bij de vader ophaalt ( [minderjarige]
heeft gegeten bij de vader).
3.5
Bij het vonnis van 2 april 2024 heeft de voorzieningenrechter aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 250,- per keer, tot een maximum van € 10.000,- voor iedere keer dat de moeder in strijd handelt met de vastgestelde zorgregeling.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder en de vader zijn het niet eens over de zorgregeling voor [minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder om de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] om de week een weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, afgewezen. Verder is bij die beschikking de zorgverdeling tijdens de vakantie- en feestdagen gewijzigd waarbij de vader vaker voor [minderjarige] zal zorgen op deze dagen dan eerder het geval was.
4.2
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de zorgregeling alsnog te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] om het weekend bij de vader verblijft van vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur, waarbij de nieuwe vakantie- en feestdagenregeling blijft gelden.
4.3
De advocaat van de vader heeft op de zitting namens de vader mondeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

Wat in de wet staat
5.1
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de zorgregeling. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 BW). De rechter kan een door de ouders gemaakte afspraak over de zorgregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd (artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW). De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De stellingen van de moeder
5.2
De moeder kan zich niet vinden in de huidige zorgregeling waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de vader is. Volgens de moeder hebben zij en [minderjarige] daardoor te weinig tijd om leuke dingen met elkaar te doen. Daarnaast vindt de moeder deze regeling te belastend voor [minderjarige] omdat de vader en zijn partner veel ruzie hebben met elkaar in het bijzijn van [minderjarige] .
De vader betwist dat gemotiveerd.
Oordeel van het hof
5.3
Het hof stelt allereerst vast dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds de ouders onderling afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Zo is [minderjarige] ouder geworden en is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] vorig jaar geëindigd. Ook is de zorgregeling tijdens de feestdagen en vakanties gewijzigd.
5.4
Het hof ziet geen aanleiding de zorgregeling te wijzigen zoals de moeder heeft verzocht. Ter onderbouwing van haar standpunt overlegt de moeder een brief van een zogenoemde brugfunctionaris, mevrouw [naam] . In die brief worden zorgen rondom en over [minderjarige] beschreven. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de inhoud en de status van deze brief door de vader is het hof van oordeel dat de moeder haar zorgen over de thuissituatie bij de vader onvoldoende heeft onderbouwd. Voor het hof is onduidelijk wat de status is van deze (ongedateerde) brief, wat de rol is van [naam] ten aanzien van [minderjarige] en hoe de informatie die in de brief staat, is verkregen. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat [minderjarige] de huidige omgangsregeling niet aankan. [minderjarige] schrijft in zijn brief aan het hof dat hij slechts twee van de vier weekenden naar de vader wil omdat hij meer leuke dingen bij en met zijn moeder wil doen en vaker bij zijn (half)broertje wil zijn. Ook de moeder voert dat argument aan. Dat de moeder en [minderjarige] meer tijd willen om leuke dingen met elkaar te doen is voor het hof onvoldoende om het toch al vrij beperkte contact van drie weekenden per maand met de vader substantieel, namelijk met een derde deel, terug te brengen. Daarnaast is uit de stukken en de toelichting van de ouders op de zitting van het hof gebleken dat [minderjarige] met beide ouders een goed contact heeft.
5.5
Volgens de raad in zijn advies op de zitting zijn de spanningen rond (de uitvoering van) de zorgregeling grotendeels te wijten aan de verstoorde verhouding en communicatie tussen de ouders. De raad heeft net als de moeder zorgen over [minderjarige] , maar deze zorgen zien op de wijze waarop de ouders (niet) met elkaar communiceren en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] . Aanpassing van de zorgregeling door deze terug te brengen naar twee in plaats van drie weekenden per vier weken, zoals de moeder dat verzoekt, lost die zorgen niet op. Maar een dergelijke wijziging schroeft het contact tussen [minderjarige] en de vader wel flink terug. Daar staat tegenover dat niet wordt gezocht naar een oplossing waarbij het contact wordt gecompenseerd, aldus de raad. De raad adviseert om de zorgregeling niet te wijzigen.
5.6
Het hof onderschrijft en volgt het advies van de raad, behalve voor zover wordt aangegeven dat niet wordt gezocht naar een oplossing om het contact te compenseren. De moeder heeft er op de zitting namelijk terecht op gewezen dat in de procedure bij de rechtbank nu juist is verzocht om een verruiming van de verdeling van de vakanties en feestdagen ter compensatie. Maar dit doet er niet aan af dat de huidige regeling naar omstandigheden redelijk verloopt, al geruime tijd zo wordt uitgevoerd en daarmee rust en duidelijkheid geeft aan [minderjarige] . De huidige regeling is daarom op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] , ook al heeft de vader inmiddels meer dagen om voor [minderjarige] te zorgen door de ruimere vakantie- en feestdagenregeling sinds de bestreden beschikking. Het hof deelt de visie van de raad dat de zorgen voortkomen uit de verhouding tussen ouders en dat lost een beperking van de zorgregeling niet op. Dat [minderjarige] , zoals de moeder op de zitting voor het eerst naar voren heeft gebracht, door de zorgregeling te wijzigen meer mogelijkheden heeft om (volwaardiger) deel te nemen aan een sportclub zoals voetbal of om vaker naar judo te gaan, heeft zij tegenover de betwisting door de vader onvoldoende nader onderbouwd. [minderjarige] kan ook sporten in de weekenden dat hij bij de vader is. Los daarvan vindt het hof dat het nu belangrijker is dat hij zijn vader vaak kan zien en dat er geen onrust komt door de zorgregeling nu weer te wijzigen. Dit maakt ook dat het hof het argument dat [minderjarige] vaker contact wil hebben met zijn jongere (half)broertje, die hij nu alleen ziet als de moeder hem daar mee naartoe neemt, niet doorslaggevend vindt om de weekendregeling terug te brengen.
Het verzoek van moeder wordt daarom afgewezen.
5.7
Op de zitting is met de moeder afgesproken dat zij, samen met de brugfunctionaris, de beslissing aan [minderjarige] zal vertellen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover deze gaat over de zorgregeling in het weekend, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van
15 januari 2025, voor zover deze gaat over de zorgreling in het weekend;
wijst het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en D.J.M. van de Voort en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.