Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vrouw, geboren in 1968, werd erkend door [naam1] bij het huwelijk van haar moeder met hem, maar wist sinds haar veertiende dat hij niet haar biologische vader was. Na het overlijden van [naam1] in 1988 verzocht zij in 2024 de rechtbank om vernietiging van deze erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van haar biologische vader [naam3], en wijziging van haar geslachtsnaam.
De rechtbank verklaarde haar verzoek niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke termijn van drie jaar na meerderjarigheid voor vernietiging van erkenning. In hoger beroep stelde het hof vast dat de vrouw al tijdens haar minderjarigheid op de hoogte was van het feit dat [naam1] niet haar biologische vader was, waardoor de termijn in 1990 was verstreken. Desondanks oordeelde het hof dat het strikt toepassen van deze termijn een ontoelaatbare inmenging vormt in haar familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
Het hof motiveerde dat het belang van de biologische werkelijkheid en de psychische nood van de vrouw, die sinds het leren kennen van haar biologische vader in 2023 regelmatig contact onderhoudt met hem en zijn familie, zwaarder weegt dan de rechtszekerheid die de termijn beoogt. Er zijn geen belangen van derden die geschaad worden. Daarom vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank, vernietigt de erkenning door [naam1], stelt het vaderschap van [naam3] vast en wijzigt de geslachtsnaam van de vrouw in die van haar biologische vader.
De griffier wordt verzocht de beschikking na drie maanden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te zenden voor latere vermelding op de geboorteakte. De beschikking is op 12 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof vernietigt de erkenning door [naam1], stelt het vaderschap van de biologische vader vast en wijzigt de geslachtsnaam van de vrouw.