AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing schorsingsverzoek uitvoerbaar bij voorraad omgangsregeling
In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de voorlopige omgangsregeling tussen [verzoekster] en de minderjarige kinderen van [verweerster] moet worden nagekomen en of de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de schorsing van deze regeling moet worden geschorst.
De voorzieningenrechter had eerder de omgangsregeling geschorst en deze schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [Verzoekster] stelde in hoger beroep een incidentele vordering in tot schorsing van deze uitvoerbaar bij voorraadverklaring op grond van artikel 351 RvPro.
Het hof oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die de schorsing rechtvaardigen. De voorzieningenrechter heeft een gemotiveerde belangenafweging gemaakt en het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen. De hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand en verdere beslissingen worden aangehouden.
De kosten van het incident worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring af en houdt de hoofdzaak aan.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.826
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597268
arrest in het incident in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: [verzoekster]
advocaat: mr. M. de Mare
tegen
[verweerster]
die woont in [woonplaats2]
die bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: [verweerster]
advocaat: mr. S. van Beers
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 26 september 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven met daarin een incident
de memorie van antwoord in het incident.
2.De kern van de zaak
2.1.
[verweerster] is de moeder van [minderjarige1] (geboren [in] 2018) en [minderjarige2] (geboren [in] 2022). Van 2016 tot eind 2024 hebben [verweerster] en [verzoekster] een relatie met elkaar gehad, met een onderbreking in de periode 2020-2021. Tussen partijen is – kort weergegeven – in geschil of [verzoekster] in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [minderjarige1] en [minderjarige2] in de zin van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of er omgang tussen [verweerster] en de kinderen moet zijn. Bij vonnis van 6 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter voorlopig geoordeeld dat sprake is van die nauwe persoonlijke betrekking en [verweerster] veroordeeld voorlopig haar medewerking te verlenen aan de omgang tussen [minderjarige1] en [minderjarige2] en [verzoekster] zoals in het vonnis bepaald. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [verweerster] is in hoger beroep gegaan tegen dat vonnis en de voorlopige omgangsregeling is niet nagekomen.
2.2.
[verzoekster] heeft in de onderhavige, tweede procedure in conventie bij de voorzieningenrechter in kort geding gevorderd [verweerster] te veroordelen tot nakoming van de voorlopige omgangsregeling zoals vastgesteld in de eerste procedure bij vonnis van 6 juni 2025 op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat [verweerster] de omgangsregeling niet nakomt met een maximum van € 45.000,- en zij heeft gevorderd [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.
[verweerster] heeft in reconventie bij de voorzieningenrechter in deze kort geding procedure gevorderd dat de voorlopige omgangsregeling wordt stopgezet, de uitvoerbaarheid van het vonnis van 6 juni 2025 te schorsen en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.3.
Bij vonnis van 26 september 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [verzoekster] in conventie afgewezen en in reconventie de omgangsregeling zoals vastgesteld in het vonnis van 6 juni 2025 geschorst totdat partijen anders overeenkomen of de bodemrechter anders beslist. Deze beslissing in reconventie is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. In dit incident vordert [verzoekster] schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de toegewezen vordering in reconventie op grond van artikel 351 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
3.Het oordeel van het hof
3.1.
Het hof zal de vordering van [verzoekster] afwijzen en licht hierna toe hoe het hof tot dat oordeel is gekomen.
Juridisch kader
3.2.
De uitspraak in reconventie is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. De voorzieningenrechter heeft de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren gemotiveerd. In het vonnis heeft de voorzieningenrechter in dat kader overwogen dat het, gelet op alle betrokken belangen, belangrijk is dat er eerst een beslissing komt in de bodemprocedure over de nauwe persoonlijke betrekking.
3.3.
Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden (nova). Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. [1]
Inhoudelijk oordeel
3.4.
Dit hoger beroep is ingegeven door de wens van [verzoekster] om de omgang alvast te laten beginnen, in afwachting van de uitkomst van de bodemzaak over omgang. De voorzieningenrechter zag daarvoor onvoldoende aanleiding en heeft de eerder (voorlopige) vastgestelde omgangsregeling geschorst. [verzoekster] stelt in het kader van haar vordering tot schorsing (grief 5) geen feiten en omstandigheden waarmee de voorzieningenrechter geen rekening heeft kunnen houden bij de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren doordat zij zich pas na zijn uitspraak hebben voorgedaan. De argumenten van [verzoekster] kunnen er in zoverre dan ook niet toe leiden dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst.
3.5.
[verzoekster] stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat de uitvoerbaarheid bij voorraad door de voorzieningenrechter is gegeven zonder een gedegen belangenafweging. Voor zover [verzoekster] zich daarmee op het standpunt stelt dat de beslissing van de rechtbank berust op een kennelijke misslag geldt het volgende. Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is pas sprake wanneer het evident is dat de bestreden beschikking op een onjuistheid berust. Dat is iets anders dan dat ook een andere beslissing mogelijk was geweest of sprake is van een motiveringsgebrek. Het moet gaan om een zodanig duidelijke fout of vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Van zo’n kennelijke misslag is hier geen sprake. Duidelijk is dat [verzoekster] van mening is dat de voorzieningenrechter in het belang van de kinderen tot een ander oordeel had moeten komen, maar [verzoekster] heeft niet uitgelegd waarom de voorzieningenrechter evidenteen fout heeft gemaakt.
De conclusie
3.6.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Partijen hebben over en weer gevorderd dat de ander wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van dit incident. De beslissing over de kosten van het incident wordt echter aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
3.7.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich blijkens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4.De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt en
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, M.H.F. van Vugt en K. Mans, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.