ECLI:NL:GHARL:2026:767

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.362.700/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 lid 3 RvArt. 281 RvArt. 362 RvArt. 806 lid 1 onder a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken advocaat en te late indiening

In deze civiele zaak betreffende personen- en familierecht heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 februari 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2025.

De vader diende op 2 december 2025 een pro-forma beroepschrift in per e-mail, zonder advocaat. Het hof wees hem erop dat een beroepschrift door een advocaat moet worden ingediend en dat hij binnen de beroepstermijn een volledig beroepschrift met gronden via een advocaat moest indienen. Op 4 december 2025 ontving het hof alsnog een beroepschrift van de vader, maar dit was te laat.

Het hof gaf de vader vervolgens de mogelijkheid om het verzuim te herstellen door uiterlijk 8 januari 2026 alsnog een beroepschrift met handtekening van een advocaat in te dienen. De vader reageerde niet. Het hof oordeelde dat het beroepschrift niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een advocaat en de overschrijding van de beroepstermijn. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een advocaat en te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.700/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200408)
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
zonder advocaat,
en
[belanghebbende1](de dochter),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in eerste aanleg,
zonder advocaat.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende2](de moeder)
die woont in [woonplaats] ,
advocaat in eerste aanleg: mr. A. Szirmai te Heerenveen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Op 2 december 2025 heeft de vader per e-mail een door hem ondertekende brief ingediend waarin hij aangeeft pro-forma beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking. De griffie heeft de vader vervolgens bericht dat een beroepschrift ingediend moet worden door een advocaat en dat hierin moet worden vermeld waarom de vader het niet eens is met de bestreden beschikking. Hem is meegedeeld dat hij via een advocaat alsnog binnen de beroepstermijn een beroepschrift met de gronden kan indienen.
Op 4 december 2025 00:00 uur is een e-mail met bijlage van de vader binnengekomen, waarin hij schrijft dat hij in de bijgevoegde verklaring toelicht waarom de beschikking niet zorgvuldig tot stand is gekomen en een herbeoordeling nodig is. Hij verzoekt zijn verklaring te betrekken bij de behandeling van het hoger beroep. De bijlage is de bestreden beschikking.
Op 4 december 2025 om 00:08 uur is opnieuw een e-mail van de vader met bijlage binnengekomen die inhoudt: “Mijn excuus, hierbij het hoger beroep. 1 bijlage: HOGER BEROEP.pdf.” Het hof begrijpt dat de vader daarmee in hoger beroep komt van de beschikking van de rechtbank en hij verzoekt die beschikking te vernietigen.
2.2
Bij brief van 18 december 2025 heeft het hof de vader in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, door uiterlijk 8 januari 2026 het oorspronkelijke beroepschrift opnieuw in te dienen voorzien van een handtekening van een advocaat. De vader is erop gewezen dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien het verzuim niet tijdig wordt hersteld. Daarnaast is de vader in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 8 januari 2026 zich schriftelijk uit te laten over de tijdigheid van zijn hoger beroep.
2.3
Op deze brief is door het hof van of namens de vader geen reactie ontvangen.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Een verzoekschrift in hoger beroep van een uitspraak van de rechtbank moet ingevolge artikelen 278 lid 3 en 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden ondertekend door een advocaat. Dat is in dit geval niet gebeurd.
3.2
Artikel 281 Rv Pro bepaalt dat indien een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechter de verzoeker de gelegenheid geeft binnen een door hem te stellen termijn dit verzuim te herstellen en dat indien de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik maakt, hij in het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze bepaling is ingevolge artikel 362 Rv Pro van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
3.3
De vader heeft het verzuim niet hersteld. Dit brengt mee dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.
3.4
Overigens heeft de vader het hoger beroep te laat ingediend en is hij ook daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 onder Pro a Rv dient binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep ingesteld te worden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep was op 4 december 2025, de dag waarop het hof het beroepschrift van de vader heeft ontvangen, dan ook verstreken. Dat de vader op 2 december 2025 een e-mail heeft ingediend waarin hij aangeeft pro-forma beroep in te stellen, maakt dat niet anders. In een verzoekschriftprocedure moet een beroepschrift namelijk niet alleen het verzoek in hoger beroep bevatten, maar ook de gronden op grond waarvan de verzoeker van mening is dat de door hem bestreden beslissing onjuist is. Nadat de griffie dat aan de vader heeft bericht, en daarbij ook heeft vermeld dat hij via een advocaat alsnog binnen de beroepstermijn een beroepschrift met de gronden kan indienen, heeft hij weliswaar (zelf) een beroepschrift met gronden ingediend, maar dat is pas op 4 december 2025 oftewel te laat door het hof ontvangen.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, C. Coster en E. Leentjes, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.