ECLI:NL:GHARL:2026:751

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.356.560
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging co-ouderschapsregeling ondanks zorgen moeder over ontwikkelingsachterstand kind

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van het huwelijk is een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen om de week bij de ene ouder verblijven, met vaste contactmomenten en een duidelijke structuur. De moeder verzocht in hoger beroep wijziging van deze regeling vanwege zorgen over de ontwikkelingsachterstand en prikkelverwerking van het jongste kind, en de verstoorde communicatie tussen ouders.

De vader betwistte deze zorgen en benadrukte het belang van co-ouderschap met voorspelbaarheid en structuur. De raad voor de kinderbescherming adviseerde de lopende regeling in stand te houden vanwege de stabiliteit en het minimaliseren van wisselmomenten, en wees op de loyaliteit van jonge kinderen aan beide ouders.

Het hof oordeelde dat er onvoldoende harde contra-indicaties zijn om de huidige regeling te wijzigen. De bestaande regeling biedt structuur en rust, wat in het belang is van de kinderen, ook van het kind met ontwikkelingsproblemen. De moeder's zorgen en het verzoek tot wijziging werden afgewezen, en de beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de bestaande co-ouderschapsregeling en wijst het verzoek tot wijziging af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.560/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 313847)
beschikking van 10 februari 2026
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. Y.N. Teke-Bozkurt,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.E. Kikkert.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 mei 2025, hersteld bij beschikking van 2 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 313847, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift, tevens verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking, met producties, ingekomen op 8 juli 2025;
  • het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing en in de hoofdzaak;
  • een journaalbericht namens de vader van 21 november 2025, met producties;
  • een journaalbericht namens de moeder van 2 december 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). Het hof heeft aan twee stagiaires van de raad bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [minderjarige1] , geboren [in] 2018, en
  • [minderjarige2] , geboren [in] 2020.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking in voorlopige voorziening van 19 juni 2024 heeft de rechtbank:
  • de kinderen aan de moeder toevertrouwd; en
  • de volgende regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld:
de kinderen verblijven eenmaal per veertien dagen gedurende het hele weekend bij de vader. De vader haalt de kinderen op vrijdag op van school en brengt hen op zondag om 18.00 uur terug naar de moeder;
de vader haalt de kinderen iedere week op woensdagmiddag op van school, waarna hij ze om 18.00 uur bij de moeder terugbrengt;
in het weekend dat de kinderen bij de moeder verblijven, verblijven de kinderen één dagdeel bij de vader. Partijen bepalen in onderling overleg welk dagdeel dit precies is. De vader zal zorgdragen voor het halen en brengen. Als de moeder een weekend weg gaat met de kinderen, zal de vader er geen punt van maken dat dit contactmoment komt te vervallen;
vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld, door partijen in onderling overleg te bepalen.
3.3
De moeder heeft in eerste aanleg, voor zover hier van belang, verzocht:
  • de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen;
  • na wijziging van haar verzoek, als zorgregeling vast te stellen dat de kinderen bij de vader verblijven: eens per twee weken van vrijdag na school tot zaterdag 15.00 uur bij de vader en elke woensdag na school tot 18.00 uur (met daarbij een regeling voor feest- en verjaardagen).
3.4
De vader heeft in eerste aanleg verzocht het verzoek van de moeder over de hoofdverblijfplaats toe te wijzen en het verzoek over de zorgregeling af te wijzen. Hij heeft gevraagd een regeling vast te leggen die overeenkomt met ‘co-ouderschap’ waarbij op de woensdagmiddagen wordt gewisseld.
3.5
Het huwelijk van partijen is op 25 juni 2025 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
  • de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
  • de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vastgesteld;
  • als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen eens per twee weken van woensdag uit school tot de daarop volgende woensdag naar school bij de vader verblijven; en
  • tijdens de (christelijke) feestdagen en korte verlofperiodes wordt de reguliere (weekend)regeling gevolgd, met dien verstande dat de kinderen in de even jaren op Goede Vrijdag en met Pasen bij de moeder zijn en met Pinksteren bij de vader. In de oneven jaren zijn ze op Goede Vrijdag en met Pasen bij de vader en met Pinksteren bij de moeder. Op Moederdag en de verjaardag van de moeder zijn de kinderen bij de moeder en op Vaderdag en de verjaardag van de vader zijn de kinderen bij de vader, met ingang van de (zaterdag)avond daaraan voorafgaand om 18.00 uur tot de dag erna om 10.00 uur of naar school.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof:
  • de bestreden beschikking te vernietigen, uitsluitend ten aanzien van de daarin opgenomen zorgregeling;
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder houden en waarbij het contact tussen de vader en de kinderen wordt vormgegeven conform de voorlopige zorgregeling die gold voorafgaand aan de bestreden beschikking,
  • te bepalen dat de vader zicht onthoudt van het afdwingen van een verdergaande zorgregeling, tot daar in rechte onherroepelijk op is beslist;
  • subsidiaireen regeling vast te stellen als het hof juist oordeelt;
  • de werking van de bestreden beschikking te schorsen; en
  • de proceskosten van deze procedure te compenseren, althans een beslissing te nemen als het hof juist oordeelt.
4.3
De vader voert verweer. De vader vraagt het hof om:
  • de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking dan wel dit verzoek af te wijzen;
  • in de hoofdzaak de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Op 14 augustus 2025 heeft dit hof het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van de moeder afgewezen.

5.De motivering van de beslissing

Het juridisch kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft omvatten.
5.2
De rechter neemt een beslissing die in het belang van het kind wenselijk is. De rechter dient bij die beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.
Wat vinden partijen?
5.3
De moeder is het met de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling niet eens en voert daarvoor het volgende aan. De moeder vindt de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling in het belang van de kinderen. Daardoor ervaren de kinderen enige rust en voorspelbaarheid en daar ‘doen de kinderen het goed op’. [minderjarige1] heeft een ontwikkelingsachterstand en is kwetsbaar voor wisselingen en spanningen. [minderjarige1] ervaart door de huidige zorgregeling overbelasting en is daardoor ook blijven zitten. De moeder voert verder aan dat de communicatie tussen de ouders verstoord is. Zij zijn niet in staat om samen afspraken te maken en dus uitvoering te geven aan het co-ouderschap. Co-ouderschap (in dit geval een verdeling van de zorg bij helfte) is volgens de moeder uitsluitend mogelijk als sprake is van constructief overleg, wederzijds respect en goede communicatie. Daarvan is structureel geen sprake. Bovendien is de moeder erg geschrokken van de handelswijze van de vader na de bestreden beschikking. De vader heeft de zorgregeling direct afgedwongen en dat is volgens de moeder niet in het belang van de kinderen. Bovendien heeft de vader ook direct kinderbijslag aangevraagd. Daaruit blijkt dat de vader primair handelt vanuit financieel gewin.
5.4
De vader voert verweer. De vader betwist dat [minderjarige1] moeite heeft met de huidige zorgregeling. Juist bij co-ouderschap kunnen structuur en voorspelbaarheid goed worden ingebouwd. Er is nu een vast schema met duidelijke kaders. Dat is ook in het belang van de kinderen. De vader wil graag constructief bijdragen aan het maken van afspraken om rust te creëren. Het terugbrengen van de omgang, enkel op basis van subjectieve interpretaties van één ouder, druist volgens de vader in tegen het uitgangspunt dat kinderen hun beide ouders nodig hebben. De vader is beschikbaar voor de kinderen en er is niet gebleken van contra-indicaties voor co-ouderschap. De door de moeder voorgestane zorgreling leidt tot ongemakkelijke wisselmomenten en is bovendien verwarrend voor de kinderen. Tot slot is perfecte communicatie geen harde eis voor co-ouderschap. Het is volgens de vader juist de moeder die slechte communicatie creëert en zich niet inzet om dit te verbeteren.
5.5
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd de lopende co-ouderschapsregeling in stand te houden. Deze regeling biedt de kinderen duidelijkheid en structuur en er zijn weinig wisselingen tussen de ouders. Juist de wisselingen tussen de ouders leveren onrust op. Bij de door de moeder voorgestane regeling zijn er meer wisselingen. Als de contactmomenten korter worden, heeft [minderjarige1] volgens de raad minder tijd om te wennen. Kinderen moeten altijd wennen na een wisseling van de ene ouder naar de andere en dat geldt zeker voor [minderjarige1] . De raad benoemt dat er nog veel partnerproblematiek is. Ook dat zorgt voor veel spanning en onrust bij de overdrachtsmomenten. De raad heeft verder uitgelegd dat de mening van de kinderen belangrijk is, maar dat kinderen op deze leeftijd nog niet kunnen overzien wat zij willen. De kinderen zijn loyaal aan beide ouders.. De raad heeft beide ouders in dit kader geadviseerd om zich in te spannen voor de uitvoering van de huidige zorgregeling en te kijken naar wat de kinderen nodig hebben in plaats van met elkaar te strijden. Pas dan zal het de moeder lukken om de kinderen meer emotionele toestemming te geven voor hun contact met de vader.
Hoe oordeelt het hof?
5.6
Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Het hof weegt hierin mee dat de raad tijdens de mondelinge behandeling de verwachting heeft uitgesproken dat een raadsonderzoek geen nieuwe informatie naar voren zal brengen. Het hof zal het verzoek van de moeder om een raadsonderzoek te gelasten daarom afwijzen.
5.7
Het hof ziet in de stellingen van de moeder onvoldoende grond om de huidige zorgregeling te wijzigen en laat de tussen partijen geldende ‘co-ouderschapsregeling’ zoals die nu loopt, dus in stand. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.
5.8
Duidelijk is dat beide ouders veel van hun kinderen houden. De ouders zijn allebei in staat om de kinderen een veilige en stabiele opvoedplek te bieden. De moeder erkent ook dat de situatie bij de vader veilig is en dat de kinderen graag bij hem zijn.
De huidige zorgregeling loopt - naar omstandigheden - goed sinds de bestreden beschikking, dus al bijna een half jaar. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, komen vanuit [de jeugdinstelling] geen grote zorgen over de kinderen naar voren. Dat de moeder is overvallen door de manier waarop de vader na de bestreden beschikking direct uitvoering heeft gegeven aan de zorgregeling is voorstelbaar, zeker omdat dit een hele verandering is nadat partijen uitvoering gaven aan de beperkte voorlopige zorgregeling.
Dit is alleen geen reden voor wijziging van de huidige zorgregeling. Buiten de door de moeder aangevoerde zorgen, ziet het hof dan ook geen harde contra-indicaties voor wijziging van de huidige zorgregeling. Deze zorgregeling, waarbij de kinderen de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder zijn, is niet alleen overzichtelijk, maar biedt ook structuur en heeft de minste wisselmomenten. Op die manier worden spanningsvolle momenten tussen de ouders tot een minimum beperkt. Dat [minderjarige1] een andere zorgregeling zou willen, zoals door de moeder is betoogd en is te lezen in het verslag van [de jeugdinstelling] , maakt niet dat een andere zorgregeling ook meer in zijn belang is. Bovendien onderschrijft het hof de verklaring van de raad in dit kader dat jonge kinderen loyaal zijn aan hun ouders en dus mogelijk tegen beide ouders zeggen wat die ouder wil horen en die beslissing op de lange termijn niet kunnen overzien. In de brief van de huisarts van 5 juni 2025 (productie 4 bij het beroepschrift) is tot slot te lezen dat [minderjarige1] baat heeft bij een duidelijke aansturing en begeleiding en dat hij bovendien moeite heeft met prikkelverwerking, maar hierin is niet te lezen dat de zorgregeling om die redenen moeten worden gewijzigd. Integendeel; de huisarts schrijft dat [minderjarige1] ‘onzeker’ wordt als er iets nieuws op zijn pad komt. Bestendiging van de huidige regeling is in dat opzicht in zijn belang.
Het hof heeft begrip voor de zorgen van de moeder over de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige1] en zijn prikkelverwerking, maar niet is gebleken dat de huidige regeling daarop in negatieve wijze van invloed is.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover deze beschikking ziet op de reguliere zorgregeling, bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 2 mei 2025, voor zover deze beschikking ziet op de reguliere zorgregeling;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.