ECLI:NL:GHARL:2026:748

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.356.116
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing uitbreiding omgangsregeling wegens kwetsbare gezondheid minderjarige

De moeder verzocht de rechtbank om de omgangsregeling met haar dochter, een minderjarige met een kwetsbare gezondheid, uit te breiden van begeleide omgang van anderhalf uur per drie weken naar onbegeleide omgang van vijf uur per drie weken. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege de zorgbehoefte en vermoeidheid van het kind.

De moeder ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de beslissing van de rechtbank bekrachtigde. Het hof overwoog dat de gezondheid van de minderjarige, die mogelijk een levertransplantatie nodig heeft en veel zorg vereist, het niet toelaat de omgangsregeling uit te breiden. Uitbreiding zou te belastend zijn en niet in het belang van het kind.

Het hof nam de motivering van de rechtbank over en wees het verzoek van de moeder af. Tevens besloot het hof geen aanvullend onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te laten uitvoeren, omdat voldoende informatie beschikbaar was om een beslissing te nemen. De huidige omgangsregeling blijft gehandhaafd, met de mogelijkheid dat de gecertificeerde instelling in de toekomst een uitbreiding kan oppakken indien de gezondheid van het kind dit toelaat.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling vanwege de kwetsbare gezondheid van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.356.116
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 587483
beschikking van 10 februari 2026
over de omgangsregeling van [minderjarige]
in de zaak van
[moeder](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F. Pool
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
en
[pleegouders](de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] , gemeente Noardeast-Fryslân

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) heeft het verzoek van de moeder om uitbreiding van de omgangsregeling met een opbouw vast te stellen tussen haar en [minderjarige] afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is geboren [in] 2017 in [geboorteplaats] . Zij is op 6 september 2017 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en vanaf 1 december 2017 stond zij onder toezicht van de GI.
2.2.
In een beschikking van 5 februari 2020 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd. Deze beslissing is in een beschikking van het gerechtshof van 10 november 2020 in stand gebleven (bekrachtigd).
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 6 september 2017 bij de pleegouders. De moeder heeft elke drie weken anderhalf uur begeleide omgang met [minderjarige] op een neutrale locatie. De omgang wordt begeleid door een jeugdzorgmedewerker en de pleegmoeder.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De moeder heeft de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [minderjarige] met een opbouw van een keer per drie weken voor de duur van twee uur met begeleide omgang naar een keer per drie weken voor de duur van vijf uur met onbegeleide omgang.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 28 maart 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij verzoekt het hof te bepalen dat een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] wordt vastgesteld, waarbij zij éénmaal in de drie weken voor de duur van twee uur begeleide omgang heeft met [minderjarige] , of te beslissen dat de raad voor de kinderbescherming eerst een onderzoek instelt naar welke omgangsregeling de moeder en [minderjarige] het meest recht doet en de beslissing op haar verzoek tot wijziging van de huidige omgangsregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van dat onderzoek.
4.2.
De GIwil dat de beslissing in stand blijft en dat de verzoeken van de moeder worden afgewezen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 18 juni 2025
  • het verweerschrift van de GI
  • een brief van de GI van 27 augustus 2025
  • een emailbericht van de raad voor de kinderbescherming van 22 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.4.
[minderjarige] is uitgenodigd te vertellen of te schrijven wat zij vindt van de omgang met de moeder. Zij heeft niet gereageerd.
4.5.
De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl
  • een vertegenwoordiger van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
In artikel 1:377a BW en artikel 1:377e BW staat – onder meer – dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling kan vaststellen of wijzigen.
Hoe oordeelt het hof?
5.2.
Net als de rechtbank vindt het hof dat de verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen. De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.3.
Het hof verwijst naar de beslissing van de rechtbank en neemt de motivering over. De motivering luidt – samengevat – als volgt.
5.4.
[minderjarige] is een meisje met een kwetsbare gezondheid. Zij zal mogelijk voor haar achttiende verjaardag een levertransplantatie nodig hebben en zij heeft vanwege haar ziekte meer zorg en aandacht nodig dan gemiddeld. Na school slaapt zij vaak in plaats van dat zij kan spelen met vriendjes en vriendinnetjes. De gezondheid van [minderjarige] gaat de laatste tijd achteruit; haar vermoeidheid wordt steeds erger.
Het is niet in het belang van [minderjarige] om de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] te wijzigen. De wens van de moeder [minderjarige] langer te zien is begrijpelijk, maar de gezondheid van [minderjarige] laat dit niet toe. Dit sluit ook aan bij het advies van de raad voor de kinderbescherming aan de rechtbank de huidige omgangsregeling in stand te laten. Voldoende duidelijk is dat de huidige omgangsregeling heel intensief is voor [minderjarige] . Hoewel zij geniet van de tijd met haar moeder en haar zusje is uitbreiding van de omgang voor haar te belastend en daardoor niet in haar belang.
5.5.
Net als de rechtbank gaat het hof ervan uit dat, als het in de toekomst mogelijk is om de omgang uit te breiden of zonder begeleiding te laten plaatsvinden, de GI dit oppakt.
5.6.
Het hof zal geen onderzoek door de raad voor de kinderbescherming laten doen, omdat er genoeg informatie is om nu een beslissing te kunnen nemen over de omgangsregeling.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 maart 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar.