ECLI:NL:GHARL:2026:746

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.359.287
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie bij verslavingsproblematiek en inkomensverlies

De man en vrouw zijn in 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben samen een minderjarige. De rechtbank had de ontbinding van het partnerschap uitgesproken en de vrouw verplicht tot betaling van kinderalimentatie aan de man. De vrouw ging in hoger beroep tegen de vastgestelde alimentatiebedragen.

Het hof beoordeelde de draagkracht van de vrouw in twee periodes: voor en na de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst per 1 juni 2025. Voor die datum werd rekening gehouden met haar loon en maandelijkse aflossingen op schulden, die voortvloeien uit haar verslavingsproblematiek en herstelpogingen. Na 1 juni 2025 is haar inkomen aanzienlijk gedaald door klinische behandeling en verblijf in een safehouse, waardoor zij geen draagkracht heeft.

Het hof oordeelde dat het inkomensverlies niet verwijtbaar is, gezien haar ernstige verslaving en het ontbreken van verwijt in de vaststellingsovereenkomst. De vrouw heeft vaste lasten die haar inkomen overstijgen, waardoor zij vanaf 1 juni 2025 geen bijdrage kan leveren. Het hof stelde daarom de alimentatie vast op €125 per maand tot 1 juni 2025 en nihil daarna.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het kinderalimentatie betreft en het hof sprak de nieuwe bedragen uit. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw betaalt €125 per maand kinderalimentatie tot 1 juni 2025 en nihil daarna vanwege haar verslavingsproblematiek en inkomensverlies.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.287
(zaaknummer rechtbank Gelderland 442041)
beschikking van 10 februari 2026
inzake
[bewindvoerder],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
optredend als bewindvoerder van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: thans mr. M.A. Kale,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.N. Mulder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 september 2025;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 24 december 2025, met producties;
  • een journaalbericht namens de vrouw van 29 december 2025, met een productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 6 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de vrouw, haar bewindvoerder en haar advocaat,
  • namens de man zijn advocaat.
3. De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn [in] 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan.
3.2
Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen die aan de vrouw (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand en [bewindvoerder] als bewindvoerder benoemd.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021.
3.4
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de man.
3.5
De man heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de vrouw € 350,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) aan hem dient te betalen met ingang van 8 oktober 2024 dan wel met ingang van een datum die de rechtbank juist oordeelt.
Dit verzoekschrift is door de rechtbank op 9 oktober 2024 ontvangen.
3.6
De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd. De vrouw heeft gevraagd het verzoek om kinderalimentatie vast te stellen, af te wijzen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
  • de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken;
  • bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft;
  • een
  • bepaald dat de vrouw aan de man met ingang van 9 oktober 2024 € 368,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen, en met ingang van 1 januari 2025 € 392,- per maand, de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
De rechtbank heeft de beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, uitsluitend wat betreft de vastgestelde kinderalimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdrage met ingang van 9 oktober 2024 vast te stellen ten hoogste € 125,- en met ingang van 1 juni 2025 op nihil, althans op een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist oordeelt.
4.3
De man voert verweer. De man vraagt het hof de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil:
  • de ingangsdatum van de kinderalimentatie, namelijk 9 oktober 2024;
  • de behoefte van [minderjarige] van € 535,- per maand in 2023. Na indexering bedroeg deze behoefte in 2024 € 568,- per maand en € 605,- per maand in 2025;
  • de draagkracht van de man van € 25,- per maand.
Arbeidsovereenkomst vrouw en ontbinding daarvan
5.2
De vrouw was vanaf 1 maart 2022 werkzaam als instellingshulp en slaapdienstmedewerker bij [bedrijf] .
5.3
De vrouw en haar werkgever hebben op respectievelijk 29 april 2025 en 10 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend, waarin de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2025 met wederzijds goedvinden is ontbonden (productie 7 bij journaalbericht in eerste aanleg namens de vrouw van 15 mei 2025).
5.4
Het hof ziet in deze omstandigheden reden de draagkracht van de vrouw te beoordelen voor twee onderscheiden periodes, namelijk voorafgaand aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en ná de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Draagkracht vrouw tot 1 juni 2025
5.5
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw tot 1 juni 2025 gaat het hof, net als de rechtbank en de vrouw, uit van een loon volgens jaaropgave van € 34.693,-. Dit inkomen is door de man ook niet betwist.
5.6
De vrouw voert aan dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met aflossing op schulden van € 300,- per maand. In oktober 2024 is de vrouw opgenomen geweest om haar verslaving te overwinnen. Na deze opname heeft de vrouw met hulp van haar toenmalige werkgever een nieuwe woning gevonden. De vrouw moest voor die woning twee maanden borg betalen en inboedel aanschaffen. Daarnaast heeft de vrouw schulden bij haar moeder, postorderbedrijven en de belastingdienst.
5.7
De man heeft de schulden van de vrouw weersproken, althans hij stelt dat daarmee geen rekening moet worden gehouden. De vrouw is haar schulden aangegaan na het indienen van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De vrouw kon op dat moment weten dat de man aanspraak zou maken op kinderalimentatie. In dat licht had de vrouw geen nieuwe schulden mogen maken. Daarbij komt dat de vrouw niet alleen nieuwe spullen heeft gekocht, maar zij is ook op vakantie gegaan naar Turkije. Deze uitgaven hebben volgens de man geen voorrang boven door de vrouw te betalen kinderalimentatie.
5.8
Ter onderbouwing van haar schuld heeft de vrouw een schuldbekentenis overgelegd (productie 2 bij het verweerschrift in hoger beroep). Dit betreft een notariële akte die is gepasseerd op 22 november 2024 waarin de heer [naam] € 12.000,- aan de vrouw leent, welke schuld in maandelijkse betalingen van € 300,- dient te worden afgelost. Dat de vrouw ook daadwerkelijk heeft afgelost op deze schuld blijkt uit screenshots van drie afschrijvingen in 2025 (productie 8 bij journaalbericht in eerste aanleg namens de vrouw van 15 mei 2025).
5.9
Het hof overweegt dat de vrouw de schuldbekentenis weliswaar ná het indienen van het verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie vast te stellen heeft ondertekend, maar dat het aangaan van deze schuld desalniettemin naar het oordeel van het hof niet vermijdbaar is. Vast staat dat de vrouw kampt met ernstige en langdurige verslavingsproblematiek. Na de opname in oktober 2024 heeft de vrouw geprobeerd haar leven weer op te bouwen. Dat de vrouw ook op vakantie is geweest, maakt het voorgaande niet anders. Het hof houdt daarom bij de berekening van de draagkracht van de vrouw rekening met een aflossing van € 300,- per maand.
5.1
Gelet op het voorgaande neemt het hof de bedragen in de draagkrachtberekening van de vrouw (productie 6 bij het beroepschrift) over. Dit betekent dat de vrouw in de periode van 9 oktober 2024 tot 1 juni 2025 een draagkracht heeft van € 125,- per maand.
Draagkracht vrouw met ingang van 1 juni 2025
5.11
Het hof dient allereerst te beoordelen of het inkomensverlies van de vrouw voor herstel vatbaar is en vervolgens of het inkomensverlies verwijtbaar is.
5.12
Het hof is van oordeel dat het inkomensverlies van de vrouw in de (nabije) toekomst voor de vrouw niet voor herstel vatbaar is. In het door de vrouw overgelegde behandelplan van Connection van 30 september 2025 (productie 10 bij journaalbericht van 23 december 2025) is te lezen dat sprake is van een ernstige en langdurige cannabis- en alcoholverslaving. De vrouw dient zich nu eerst te richten op haar herstel, aldus dit plan. Daarvoor is klinische behandeling noodzakelijk, ambulante hulpverlening is niet voldoende. Het is de vrouw ook niet gelukt om in haar thuissituatie te stoppen met haar gebruik. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw hierover verklaard dat zij negen weken opgenomen is geweest en dat zij inmiddels vierentachtig dagen niet meer heeft gebruikt. Op advies van Connection woont de vrouw inmiddels sinds 5 januari 2026 voor de duur van een jaar in een safehouse. In dit safehouse volgt de vrouw een intensief programma van vijf dagen per week, gericht op haar herstel. Tijdens haar verblijf is de vrouw niet toegestaan om betaalde arbeid verrichten, zodat ook om deze reden het inkomen reeds niet voor herstel vatbaar is.
5.13
Het hof is vervolgens, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, van oordeel dat uit de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Het hof overweegt in dit kader dat in de vaststellingsovereenkomst is te lezen dat de vrouw zich heeft verzet tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat de vrouw geen enkel verwijt te maken valt. Dat de vrouw geen transitievergoeding heeft ontvangen, zoals door de rechtbank is overwogen, doet aan het voorgaande niet af. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat aan de vrouw wel een werkloosheidsuitkering is toegekend.
5.14
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor de periode ingaande 1 juni 2025 uit zal gaan van haar nieuwe inkomen. De vrouw heeft zich op 16 juni 2025 bij het UWV ziek gemeld (productie 4 bij het beroepschrift). Het netto inkomen van de vrouw bedraagt € 1.545,31 per maand (productie 5 bij het beroepschrift) en € 1.587,03 per maand vanaf 1 oktober 2025, inclusief vakantiegeld.
5.15
Partijen zijn verdeeld over de lasten die op dit inkomen in mindering strekken. De vrouw voert aan dat rekening moet worden gehouden met diverse schulden in verband met de betaling van borg voor haar nieuwe woning, de aanschaf van meubels en schulden bij haar moeder, postorderbedrijven en de belastingdienst. De man is van mening dat er geen rekening moet worden gehouden met de aflossing op deze schulden. Bovendien moet bij de berekening van de draagkracht van de vrouw volgens de man geen rekening worden gehouden met het woonbudget, omdat de vrouw in het safehouse geen woonlasten heeft. Tot slot, zo heeft de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd, moeten de kosten voor levensonderhoud op een lager bedrag worden vastgesteld.
5.16
Het hof overweegt dat de vrouw in een bijzondere situatie verkeert, waardoor de gebruikelijke forfaitaire berekening van kinderalimentatie in dit geval niet passend is. De vrouw heeft op dit moment geen woonlasten, zij heeft geen kosten voor gas, water en licht en lokale lasten en verzekeringen zijn voor de vrouw niet van toepassing.
5.17
Dit betekent niet dat de vrouw geen (andere) kosten heeft. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgaan van de werkelijke (te schatten) lasten van de vrouw. In die zin worden de kosten voor levensonderhoud ook aangepast, zoals door de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling is betoogd.
5.18
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bewindvoerder namens de vrouw verklaard dat de vrouw in ieder geval de volgende lasten heeft:
  • € 450,- per maand aan huur/verblijfskosten safehouse;
  • € 121,- per maand aan opslag inboedel;
  • € 175,- per maand aan kosten voor de bewindvoerder
  • € 87,- per maand aan leefgeld (€ 20,- per week);
  • € 130,- per maand aan kosten voor eten en drinken in het safehouse (€ 30,- per week).
Dit komt neer op € 963,- per maand.
5.19
Het hof volgt de man niet in zijn betoog dat de vrouw haar inboedelgoederen kan verkopen, zodat zij geen lasten meer heeft voor de opslag van haar inboedel en zij bovendien inkomsten heeft. De vrouw zal op enig moment het safehouse verlaten. Dat de vrouw haar opgeslagen meubels dan in haar woning kan gebruiken, komt het hof niet onredelijk voor. Bovendien heeft de vrouw weliswaar nu kosten voor opslag van de meubels, maar zij bespaart in de toekomst kosten voor aanschaf van de meubels.
5.2
De bewindvoerder vraagt nog bijzondere bijstand aan om de kosten van de bewindvoerder te vergoeden, maar omdat nog niet duidelijk is of de gemeente daadwerkelijk bijzondere bijstand zal verlenen, strekt deze last nu wel in mindering op de draagkracht van de vrouw.
5.21
Uit de gedingstukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken leidt het hof af dat de vrouw in ieder geval de volgende lasten heeft:
  • € 300,- per maand aan aflossing van schulden (overeenkomstig overweging 5.8);
  • € 46,- per maand aan premie ziektekostenverzekering van € 175,- verminderd met
zorgtoeslag van € 129,- per maand [1] ;
  • € 32,- per maand aan eigen risico (€ 385,- per maand);
  • € 100,- per maand aan reiskosten voor de behandeling van de vrouw;
  • € 50,- per maand aan kleding, schoenen en persoonlijke verzorging;
  • € 100,- per maand aan diversen (verzekeringen, reserveringen, onvoorzien).
Dit komt neer op € 628,- per maand.
5.22
Gelet op het voorgaande heeft de vrouw in ieder geval maandelijkse vaste lasten van (€ 963,- + € 628,- =) € 1.591,-. Daarmee overstijgen de lasten van de vrouw haar inkomsten van € 1.587,- netto per maand en resteert er op dit moment aan haar kant geen draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De bespreking van de overige schulden van de vrouw kan daarmee achterwege blijven.
5.23
Het hof heeft begrip voor de lastige financiële situatie waarin de man en [minderjarige] zich bevinden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de vrouw zich, als zij is hersteld, zal inspannen om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te betalen.
5.24
Het hof stelt op grond van het voorgaande de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 juni 2025 op nihil.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, uitsluitend ten aanzien van de daarin vastgestelde kinderalimentatie, vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 juni 2025, uitsluitend voor zover deze ziet op de daarin vastgestelde kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 9 oktober 2024 tot 1 juni 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 125,- per maand zal betalen;
stelt de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 juni 2025 op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.H.F. van Vugt en E. de Boer, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/toeslagen/content/hulpmiddel-proefberekening-toeslagen