ECLI:NL:GHARL:2026:741

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.356.696
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 5 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake herziening kinderalimentatie wegens grove miskenning wettelijke maatstaven

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige geboren in 2016. Na hun echtscheiding in 2020 werd de man verplicht tot betaling van €300 per maand kinderalimentatie, geïndexeerd tot €394,81 in 2026. De man verzocht de rechtbank om deze bijdrage te verlagen of op nihil te stellen wegens gewijzigde omstandigheden.

De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat de oorspronkelijke afspraken in het ouderschapsplan en de beschikking van 2020 zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat de draagkracht van de man destijds onvoldoende was en de behoefte van het kind niet realistisch werd ingeschat. De man had geen advocaat en was onvoldoende geïnformeerd, waardoor hij de gevolgen niet kon overzien.

Het hof herzag de draagkracht en behoefte, stelde de behoefte van het kind op €385 per maand en bepaalde de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie op 1 oktober 2023, toen de man werd verzocht de gezamenlijke woning te verlaten. De man ontvangt sinds september 2023 een bijstandsuitkering en heeft beperkte draagkracht. Daarom stelde het hof de alimentatie vanaf die datum vast op hetgeen reeds is betaald en vanaf heden op €25 per maand.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hof wijzigde de alimentatieverplichting overeenkomstig deze bevindingen, waarbij het verzoek van de man om de alimentatie geheel te laten vervallen werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatie vast op €25 per maand met ingang van heden en wijzigt de eerdere beschikking wegens grove miskenning van wettelijke maatstaven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.696
(zaaknummer rechtbank Overijssel 323389)
beschikking van 10 februari 2026
inzake
Stichting Humanitas Inkomensbeheer,
gevestigd in Purmerend,
optredend als bewindvoerder van
[verzoeker],
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer,
en
[verweerster],
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.S. Flokstra.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 323389. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 juli 2025;
  • het verweerschrift met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat,
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016.
3.2
Bij beschikking van 10 november 2020 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) vastgesteld op € 300,- per maand.
Na indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 394,81 per maand.
3.3
Bij beschikking van 11 mei 2023 heeft de kantonrechter de goederen die aan de man (zullen) toebehoren onder bewind gesteld tot en met 11 mei 2028, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden en Stichting Humanitas Inkomensbeheer als bewindvoerder benoemd.
3.4
De man heeft de rechtbank verzocht de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2023 dan wel per 1 oktober 2023 of de datum van indiening van het verzoekschrift, op nihil te stellen dan wel een bedrag en een ingangsdatum vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt.
3.5
De vrouw heeft in de rechtbank in eerste aanleg gevraagd om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek of zijn verzoek af te wijzen.

4.De omvang van het geschil

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man afgewezen, omdat, samengevat, niet is gebleken van een relevante wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de vastgestelde kinderalimentatie niet langer in stand kan blijven.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, zijn verzoek alsnog toe te wijzen.
4.3
De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel zijn verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven en het bewust afwijken daarvan
5.1
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man desgevraagd verklaard dat hij (primair) een beroep doet op artikel 1:401 lid 5 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair stelt de man dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
5.2
Op grond van artikel 1:401 lid 5 BW Pro kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist als de zaak zou zijn voorgelegd en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven kan zich bovendien voordoen wanneer de toekomstverwachting van partijen te optimistisch of te weinig realistisch was.
5.3
In deze zaak zijn partijen in een door hen beiden op 23 april 2019 ondertekend ouderschapsplan een bijdrage voor [minderjarige] overeengekomen van € 300,- per maand, die door de rechtbank op 10 november 2020 is vastgelegd. De rechtbank heeft in haar beschikking van 10 november 2020 het volgende overwogen: “
De rechtbank stelt vast dat hoewel de man heeft verklaard dat hij op dit moment de onderhoudsbijdrage niet kan betalen en ook niet betaalt, hij ermee kan instemmen dat de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage toch wordt vastgesteld in de beschikking. Daarom zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen.
5.4
Anders dan de rechtbank (in de bestreden beschikking) is het hof van oordeel dat de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben gemaakt en die op 10 november 2020 in de beschikking zijn vastgelegd, zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
Deze afspraken waren naar het oordeel van het hof weinig realistisch gezien de verklaring van de man als hiervoor onder 5.3 geciteerd. Het hof komt daarmee tot een andere weging van de omstandigheden dan de rechtbank. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
5.5
Het is de man die moet stellen - en bij betwisting moet onderbouwen - dat partijen de overeenkomst zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (dat zijn: de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van de man). De vrouw stelt dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. De stelplicht daarvan ligt bij haar.
5.6
De draagkracht van de man.De man heeft aangevoerd dat hij in 2020 geen draagkracht (meer) had om de afgesproken bijdrage voor [minderjarige] te betalen. Zijn bedrijf is beëindigd in 2020. Hij heeft ter onderbouwing de IB-aangifte over 2020 in het geding gebracht. De vrouw betwist weliswaar dat de man op dat moment onvoldoende draagkracht had maar zij motiveert dat niet. De man heeft op de mondelinge behandeling op 19 mei 2020 (zie hiervoor onder 5.3) ook - onweersproken - verklaard dat hij de in april 2019 overeengekomen bijdrage niet kan betalen en tot dat moment evenmin betaalt.
De behoefte van [minderjarige]. De man heeft aangevoerd dat de vrouw op dat moment wel inkomsten had (in 2020 was haar verzamelinkomen volgens de IB-aangifte € 30.000,-) maar dat hun gezamenlijke inkomsten niet de overeengekomen behoefte van [minderjarige] van € 530,- per maand rechtvaardigde. Hij heeft een behoefteberekening overgelegd ter onderbouwing, die door de vrouw niet is betwist.
Voor het hof staat daarmee vast dat partijen, bij vastlegging van hun afspraken in november 2020, verregaand zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.
5.7
De volgende vraag is of partijen bewust zijn afgeweken van die wettelijke maatstaven. De man voert aan dat hij akkoord is gegaan met het betalen van € 300,- per maand omdat de verstandhouding tussen partijen op dat moment nog goed was. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de rechter hem op de zitting wel drie keer zei dat het een hoog bedrag was maar “de vrouw wilde het” en hij dacht “toe maar”.
De vrouw stelt dat partijen, en dus ook de man, bewust zijn afgeweken; de man heeft ervoor gekozen geen advocaat in de arm te nemen en de rechter had hem gewaarschuwd.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de mondelinge behandeling van 19 mei 2020 (die heeft geleid tot de beschikking van 10 november 2020) in verband met de uitbraak van het coronavirus via Skype for Business heeft plaatsgevonden. De man werd tijdens deze mondelinge behandeling niet bijgestaan door een advocaat. Ook tijdens de echtscheidingsprocedure is de man voor het overige niet bijgestaan door een advocaat. Weliswaar heeft de man ervoor gekozen zich niet te laten bijstaan maar de verhouding tussen partijen was op dat moment nog goed. De vrouw had ook nog geen aanspraak gemaakt op betaling van de afgesproken bijdrage. De man had geen kennis van de wettelijke maatstaven; De vrouw heeft niet gesteld en niet is gebleken dat partijen behoefte- en draagkrachtberekeningen hebben opgesteld aan de hand van relevante financiële stukken.
De rechter heeft de man op 19 mei 2020 weliswaar gewaarschuwd voor de gevolgen van diens toezegging, maar dat de man de gevolgen op langere termijn niet kon overzien, komt het hof begrijpelijk voor. Het hof is daarom van oordeel dat de overeenkomst tussen partijen is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Partijen zijn niet bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven.
5.8
Feit is dat de man na verkoop van de voormalig echtelijke woning begin 2023 ruim € 148.900,- heeft ontvangen. Het hof deelt volledig de visie van de vrouw dat het op de weg van de man had gelegen om (in ieder geval een deel van) dit geld aan [minderjarige] te besteden en het hof betreurt ook nadrukkelijk dat dit niet is gebeurd. Het volledige bedrag is opgegaan aan de gok- en drugsverslaving en andere foute beslissingen van de man. Dit kan de man worden verweten, maar het laat onverlet dat de man sinds 2020 feitelijk niet (meer) de draagkracht heeft gehad om de overeengekomen bijdrage te betalen. Omdat het hof van oordeel is dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven zal het hof de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen opnieuw vaststellen.
Behoefte [minderjarige]
5.9
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat [minderjarige] in ieder geval behoefte heeft aan de in 2020 overeengekomen bijdrage van € 300,- per maand. Het hof zal van dat bedrag uitgaan. Na indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2026 € 385,- per maand.
Ingangsdatum
5.1
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.11
De man verzoekt het hof om de kinderalimentatie met ingang van 1 maart 2023 dan wel met ingang van 1 oktober 2023 op nihil te stellen. Het hof overweegt dat de vrouw de man in september 2023 heeft verzocht om de gezamenlijke woning te verlaten. Vanaf dat moment deelden partijen niet meer samen de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Vanaf dat moment lag het dus ook op de weg van de man om kinderalimentatie aan de vrouw als onderhoudsgerechtigde te voldoen. Het hof zal de ingangsdatum bepalen op de eerste van de volgende maand, dus 1 oktober 2023.
Draagkracht man
5.12
De man ontvangt met ingang van 20 september 2023 een uitkering op grond van de Participatiewet oftewel een bijstandsuitkering (productie 8 bij journaalbericht namens de man van 14 maart 2025). Bij het LBIO staat tot 1 oktober 2023 vanwege achterstallige alimentatie een bedrag open van € 666,45 exclusief opslag. De bijstandsuitkering is aan de man verstrekt als geldlening en is op dit moment dus nog geen gift. Hoewel de man geen stukken heeft overgelegd en tijdens de mondelinge behandeling ook niet heeft toegelicht of de gemeente van hem verwacht dat hij de door hem ontvangen bijstandsuitkering daadwerkelijk moet terugbetalen, bestaat het risico daarop. Het hof ziet daarom aanleiding de alimentatieverplichting van de man van 1 oktober 2023 tot vandaag vast te stellen op wat de man feitelijk al heeft betaald.
5.13
Met ingang van vandaag stelt het hof de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, overeenkomstig de aanbevelingen van de expertgroep alimentatienormen, op € 25,- per maand. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in het budgetplan van de man (productie 11 bij het beroepschrift) rekening wordt gehouden met een betalingsregeling voor de (achterstallige) kinderalimentatie, zodat aangenomen moet worden dat de man beschikt over voldoende draagkracht om de minimale bijdrage voor [minderjarige] te voldoen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 10 april 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 10 november 2020 en:
  • stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 oktober 2023 tot vandaag op hetgeen door de man aan de vrouw is voldaan;
  • bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van vandaag als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 25,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, P.B. Kamminga en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 10 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.