Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[verzoeker],
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 juli 2025;
- het verweerschrift met producties.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
De rechtbank stelt vast dat hoewel de man heeft verklaard dat hij op dit moment de onderhoudsbijdrage niet kan betalen en ook niet betaalt, hij ermee kan instemmen dat de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage toch wordt vastgesteld in de beschikking. Daarom zal de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen.”
Deze afspraken waren naar het oordeel van het hof weinig realistisch gezien de verklaring van de man als hiervoor onder 5.3 geciteerd. Het hof komt daarmee tot een andere weging van de omstandigheden dan de rechtbank. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
De behoefte van [minderjarige]. De man heeft aangevoerd dat de vrouw op dat moment wel inkomsten had (in 2020 was haar verzamelinkomen volgens de IB-aangifte € 30.000,-) maar dat hun gezamenlijke inkomsten niet de overeengekomen behoefte van [minderjarige] van € 530,- per maand rechtvaardigde. Hij heeft een behoefteberekening overgelegd ter onderbouwing, die door de vrouw niet is betwist.
Voor het hof staat daarmee vast dat partijen, bij vastlegging van hun afspraken in november 2020, verregaand zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de mondelinge behandeling van 19 mei 2020 (die heeft geleid tot de beschikking van 10 november 2020) in verband met de uitbraak van het coronavirus via Skype for Business heeft plaatsgevonden. De man werd tijdens deze mondelinge behandeling niet bijgestaan door een advocaat. Ook tijdens de echtscheidingsprocedure is de man voor het overige niet bijgestaan door een advocaat. Weliswaar heeft de man ervoor gekozen zich niet te laten bijstaan maar de verhouding tussen partijen was op dat moment nog goed. De vrouw had ook nog geen aanspraak gemaakt op betaling van de afgesproken bijdrage. De man had geen kennis van de wettelijke maatstaven; De vrouw heeft niet gesteld en niet is gebleken dat partijen behoefte- en draagkrachtberekeningen hebben opgesteld aan de hand van relevante financiële stukken.
6.De slotsom
7.De beslissing
- stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 oktober 2023 tot vandaag op hetgeen door de man aan de vrouw is voldaan;
- bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van vandaag als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 25,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;