ECLI:NL:GHARL:2026:732

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.355.326/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 165 lid 2 sub a RvArt. 165 lid 3 RvArtikel XIIA Wet VMBWet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing familiale en nemo tenetur verschoningsrechten in voorlopig getuigenverhoor

In deze civiele procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris die haar beroep op het familiale en nemo tenetur verschoningsrecht tijdens een voorlopig getuigenverhoor had afgewezen. Het geschil betreft een verzoek van Kievhorst c.s. om opheldering over vermeende onregelmatigheden in de boekhouding van Kievhorst Real Estate tijdens het bestuur van appellante.

Appellante voerde aan dat zij als levensgezel van een partij in de procedure recht heeft op het uitgebreide familiale verschoningsrecht volgens het nieuwe bewijsrecht dat per 1 januari 2025 in werking trad. Het hof oordeelde echter dat het oude bewijsrecht van toepassing is omdat het verzoekschrift voor het getuigenverhoor vóór die datum was ingediend, waardoor appellante geen beroep kan doen op het nieuwe familiale verschoningsrecht.

Daarnaast stelde appellante dat zij zich op het nemo tenetur-verschoningsrecht mocht beroepen om niet te hoeven antwoorden op vragen die haar of haar levensgezel aan strafrechtelijke vervolging zouden kunnen blootstellen. Het hof bevestigde dat dit recht slechts per specifieke vraag kan worden ingeroepen en niet als een algemeen verschoningsrecht. Omdat er nog geen vragen waren gesteld, kon de rechter-commissaris dit niet beoordelen en was de afwijzing terecht.

Het hof bekrachtigde de beslissing van de rechter-commissaris en veroordeelde appellante tot betaling van de proceskosten van Kievhorst Real Estate. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van het beroep op het familiale en nemo tenetur verschoningsrecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.326
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 443779
beschikking van 10 februari 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellante]
advocaat: mr. H.P. Plas
en
1. Kievhorst Real Estate B.V. (voor zichzelf en als rechtsopvolger onder algemene titel krachtens fusie met Kievhorst Properties B.V.)
die is gevestigd in Harderwijk
hierna: Kievhorst Real Estate (en de verdwijnende rechtspersoon: Kievhorst Properties , samen ook: Kievhorst c.s.)
advocaat: mr. F.W. Aartsen
en als belanghebbenden:

2 Veldboom Project B.V.

3. Veldboom Beheer B.V.
die zijn gevestigd in Groningen
hierna: Veldboom Project en Veldboom Beheer
advocaat: mr. S. Veenstra

4 Fli Fin Holding B.V. (tot 4 februari 2025 genaamd Felindy Beheer B.V.)

5. Sandscape Holding B.V.(tot 4 februari 2025 genaamd [naam5] Holding B.V.)
die zijn gevestigd in Zeewolde
hierna: Fli Fin en Sandscape
advocaat: mr. H.P. Plas

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beslissing van de rechter-commissaris op het door [appellante] ingeroepen verschoningsrecht (hierna: de bestreden beslissing), welke is vastgelegd in het proces-verbaal van 14 mei 2025 van het getuigenverhoor dat is gelast bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 24 februari 2025. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift van [appellante]
  • het verweerschrift van Kievhorst Real Estate .
1.2.
Op 19 november 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarbij mr. Plas namens [appellante] en mr. Aartsen namens Kievhorst Real Estate aanwezig waren. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden.

2.De kern van de zaak en de relevante feiten

de kern van de zaak
2.1.
Door Kievhorst c.s. is bij de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen en de rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. [appellante] was een van de getuigen die gehoord zou worden. Tijdens het getuigenverhoor heeft [appellante] als getuige aan de rechter-commissaris te kennen gegeven dat zij gebruik wil maken van haar recht om niet te hoeven verklaren, omdat zij familie is van een van de partijen (familiaal verschoningsrecht) en omdat zij zichzelf en dat familielid niet door het afleggen van een verklaring wil blootstellen aan het risico van strafrechtelijke vervolging (nemo tenetur-verschoningsrecht). De rechter-commissaris heeft het beroep van [appellante] op beide verschoningsrechten afgewezen. [appellante] is het daar niet mee eens en heeft tegen deze beslissing van de rechter-commissaris hoger beroep ingesteld.
de relevante feiten
2.2.
De aandelen in het kapitaal van Kievhorst Real Estate werden tot 30 december 2022 gehouden door Veldboom Beheer en Fli Fin . Kievhorst Properties , de investeringsmaatschappij van de heer [naam1] (hierna: [naam1] ) en mevrouw [naam2] (hierna: [naam2] ), heeft tussen 30 december 2022 en 22 december 2023 100% van de aandelen van Kievhorst Real Estate gekocht en geleverd gekregen.
2.3.
[appellante] was van 16 juli 2020 tot en met 30 december 2022 enig bestuurder van Kievhorst Real Estate . Per 30 december 2022 is Sandscape , gelijktijdig met [naam3] B.V. benoemd tot statutair bestuurder van Kievhorst Real Estate . Vanaf 22 december 2023 is Sandscape geen bestuurder meer van Kievhorst Real Estate en is [naam4] B.V. alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder.
2.4.
Fli Fin is de persoonlijke holding van [appellante] en Sandscape is de persoonlijke holding van de heer [naam5] (hierna: [naam5] ). [appellante] en [naam5] hebben een affectieve relatie en wonen samen met drie kinderen, waarvan twee van hen gezamenlijk.
2.5.
Kievhorst c.s. heeft de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor verzocht, waar zij aan ten grondslag heeft gelegd dat zij opheldering wil krijgen over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot onregelmatigheden in de boekhouding van Kievhorst Real Estate ten tijde van het bestuur van [appellante] en dat zij haar rechtspositie beter wil kunnen beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie een voorgenomen vordering op welke grondslag moet worden ingesteld. De rechtbank heeft het verzoek van Kievhorst c.s. toegewezen. Inmiddels is een bodemprocedure aanhangig tussen Kievhorst Properties en Sandscape , Veldboom Beheer , Fli Fin en [naam5] .
2.6.
De rechter-commissaris heeft op 14 mei 2025 het voorlopig getuigenverhoor gehouden. [naam5] en [appellante] zijn opgeroepen om als getuigen te worden gehoord. [naam5] is niet verschenen. [appellante] heeft zich tijdens het getuigenverhoor beroepen op het familiale verschoningsrecht (artikel 165 lid 2 aanhef Pro en sub a Rv), omdat zij levensgezel is van [naam5] . Daarnaast heeft zij zich beroepen op het nemo tenetur-verschoningsrecht (artikel 165 lid 3 Rv Pro), omdat Kievhorst c.s. beweert dat [appellante] frauduleus heeft gehandeld en zij zich niet hoeft te incrimineren in strafrechtelijke zin.
2.7.
De rechter-commissaris heeft het beroep van [appellante] op beide verschoningsrechten afgewezen. Tijdens het getuigenverhoor heeft mr. Plas de rechter-commissaris gewraakt vanwege vooringenomenheid. De wrakingskamer van de rechtbank heeft dit verzoek tot wraking afgewezen bij beslissing van 2 juni 2025.
2.8.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat haar beroep op beide verschoningsrechten alsnog wordt gehonoreerd.
2.9.
Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt en laat de beslissing van de rechter-commissaris dus in stand. Het hof licht dat hierna toe.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Het familiale verschoningsrecht
3.1.
[appellante] stelt dat de rechter-commissaris haar beroep op het familiale verschoningsrecht ten onrechte heeft afgewezen en voert hierover het volgende aan. [appellante] komt als levenspartner en mede-ouder van twee kinderen van [naam5] (die gedaagde is in de bodemprocedure) een beroep op het familiale verschoningsrecht toe. Bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (hierna: het nieuwe bewijsrecht of de Wet VMB) is het familiale verschoningsrecht op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro uitgebreid tot (vroegere) levensgezellen van een partij. De wetgever heeft daarmee de maatschappelijke waarde van ongehuwd samenwonen en de bescherming daarvan willen erkennen en willen bewerkstelligen dat ook ongehuwd samenwonenden niet in een moreel dilemma of gewetensnood worden gebracht. Het belang van de waarheidsvinding dient hiervoor te wijken. Het nieuwe bewijsrecht is per 1 januari 2025 in werking getreden. In artikel XIIA van de Wet VMB is de volgende bepaling van overgangsrecht opgenomen:
“Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.Volgens [appellante] ziet artikel XIIA ten eerste op de rechten van procespartijen en is het niet van toepassing op de rechten van getuigen, omdat het onwenselijk is dat er verschillende verschoningsrechten voor getuigen gelden, afhankelijk van het moment waarop de procedure waarin zij worden opgeroepen is aangevangen. Als artikel XIIA wel van toepassing zou zijn op de rechten van getuigen, dan meent [appellante] dat deze bepaling anticiperend moet worden uitgelegd, in die zin dat levensgezellen ook op die oude bepaling een beroep kunnen doen, omdat dat past bij de bedoeling van de wetgever om levenspartners gelijke rechten toe te kennen als echtgenoten en geregistreerd partners. Een willekeurig moment waarop een juridische procedure aanhangig is gemaakt, mag voor deze beoogde bescherming geen beletsel vormen.
3.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro kan een getuige zich verschonen van de verplichting getuigenis af te leggen als hij – kort gezegd – familie is van een in de procedure betrokken partij. Het nieuwe bewijsrecht heeft deze kring van verschoningsgerechtigden op grond van artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro uitgebreid met de (vroegere) levensgezel van een partij. [appellante] doet, als levensgezel van [naam5] , een beroep op dit nieuwe artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro. De vraag die beantwoord moet worden is of het nieuwe bewijsrecht in dit geval van toepassing is en [appellante] dus een beroep op het familiale verschoningsrecht toekomt. Het hof oordeelt van niet en licht dat als volgt toe.
3.3.
Het verzoekschrift van Kievhorst c.s. tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is bij de rechtbank binnengekomen op 5 juni 2024, dus vóór 1 januari 2025. Op die verzoekschriftprocedure is dus het oude bewijsrecht van toepassing. Het horen van de getuigen in het kader van de toewijzende beschikking op het verzoek voorlopig getuigenverhoor moet worden gezien als een ‘verdere behandeling van een zaak’ in de zin van artikel XIIA van de Wet VMB. Het betreft immers geen nieuwe procedure, maar slechts de uitvoering van hetgeen is beslist in de beschikking. Daarmee valt ook het beroep op het verschoningsrecht dat [appellante] heeft gedaan tijdens het getuigenverhoor onder het oude bewijsrecht. [appellante] heeft dat beroep gedaan in het kader van het getuigenverhoor en na de beslissing op het beroep op het verschoningsrecht van [appellante] zal de uitvoering van het getuigenverhoor weer worden voortgezet door de rechter-commissaris van de rechtbank Gelderland. Dat [appellante] hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris, maakt dit niet anders.
3.4.
Het hof volgt [appellante] ook niet in haar standpunt dat het nieuwe bewijsrecht wel (alleen) zou gelden voor getuigen. Het hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat getuigen in een procedure ten aanzien van het bewijsrecht een andere positie zouden (moeten) hebben dan de procespartijen. Het zou ook tot onwenselijke situaties leiden als voor betrokkenen in één procedure verschillende regels van bewijsrecht zouden gelden. Daarnaast ligt niet in de rede om het oude artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro anticiperend te lezen in die zin dat ook levensgezellen van partijen daar een beroep op kunnen doen. De wetgever heeft juist deze wijziging in het bewijsrecht opgenomen omdat levensgezellen deze bescherming onder het oude recht niet toekwam en hij het vanwege maatschappelijke ontwikkelingen nodig achtte dat te veranderen. Het belang van ongehuwd samenwonenden is daarmee verdisconteerd in de wetswijziging. Daarbij heeft de wetgever een regeling opgenomen om te bepalen wanneer nog het oude en wanneer het nieuwe bewijsrecht geldt. Inherent aan een wetswijziging en een dergelijke overgangsregeling is dat er situaties zijn waarin het oude recht nog geldt. Dat op zichzelf is onvoldoende om af te wijken van hetgeen de wet voorschrijft.
3.5.
Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat het oude bewijsrecht op de onderhavige procedure van toepassing is en [appellante] als levensgezel van [naam5] dus geen beroep toekomt op het familiale verschoningsrecht van artikel 165 lid 2 sub a Rv Pro.
Het nemo tenetur-verschoningsrecht
3.6.
[appellante] maakt daarnaast bezwaar tegen de afwijzing van de rechter-commissaris van haar beroep op het nemo tenetur-verschoningsrecht op grond van artikel 165 lid 3 Rv Pro.
[appellante] meent, met verwijzing naar aantekeningen die mr. Plas zelf tijdens het getuigenverhoor heeft gemaakt, dat de rechter-commissaris haar beroep op het nemo tenetur-verschoningsrecht ten aanzien van alle specifieke vragen van het verhoor op voorhand heeft afgewezen, omdat er geen sprake zou zijn van het blootstellen aan het gevaar van strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf (aangezien er geen aangifte is gedaan of plannen zijn om dat te doen) en met de overweging dat zij geen vragen zal stellen met een ‘frauduleuze insteek’. [appellante] is het met beide gronden oneens. Het is denkbaar dat door het getuigenverhoor feiten op tafel komen of juist bepaalde feiten onopgehelderd blijven, waardoor [naam1] en [naam2] aanleiding zien om aangifte te doen. [naam1] en [naam2] hebben in het verleden ook al eens aangifte gedaan tegen [naam5] . Daarnaast kan ook vervolging plaatsvinden zonder aangifte van [naam1] of [naam2] . De rechtbank heeft bovendien een verkeerde maatstaf gehanteerd: een beroep op het nemo tenetur-verschoningsrecht mag pas worden verworpen wanneer niet aan redelijke twijfel onderhevig is dat door te antwoorden op een vraag er geen gevaar ontstaat voor een strafrechtelijke veroordeling. Daarbij is het blootstellen aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ook aanwezig als het risico op strafvervolging nagenoeg nihil is. Ook de tweede grond waarop het beroep op het verschoningsrecht is afgewezen is onjuist. Op voorhand valt niet te voorspellen of een getuige zich door middel van een antwoord op een vraag wel of niet zal incrimineren. Uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat het getuigenverhoor zich richt op omvangrijke fraude en frauduleus handelen waarvoor [naam5] en [appellante] uit hoofde van onbehoorlijk bestuur en/of onrechtmatige daad zouden kunnen worden aangesproken. Op voorhand valt daarom niet te voorspellen of [appellante] zich door middel van een antwoord op een vraag wel of niet zal incrimineren.
3.7.
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 165 lid Pro 3 (oud) Rv bepaalt dat de getuige zich kan verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, als hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen. Het nemo tenetur-verschoningsrecht is niet algemeen van aard, zoals het familiale verschoningsrecht. Een beroep op dit verschoningsrecht komt slechts toe aan de verschenen getuige nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en dan nog slechts met betrekking tot die specifieke vraag. [1]
3.8.
[appellante] verzoekt in haar beroepschrift ten aanzien van het nemo tenetur-verschoningsrecht haar beroep daarop zoveel als mogelijk toe te staan althans te bepalen dat zij gerechtigd is zich per aan haar gestelde vraag daarop te beroepen.
3.9.
Het hof interpreteert de beslissing van de rechter-commissaris, net als de wrakingskamer (punt 2 onder rechtsoverweging 3.2 van de beslissing van 2 juni 2025), zo dat zij het beroep van [appellante] op het nemo tenetur-verschoningsrecht heeft opgevat als een beroep op een algeheel verschoningsrecht en op die grond dat beroep heeft afgewezen. Die interpretatie is begrijpelijk gezien het feit dat de advocaat van [appellante] , mr. Plas, tijdens het getuigenverhoor, voordat er een vraag aan [appellante] was gesteld, heeft medegedeeld dat [appellante] een beroep doet op het nemo tenetur-verschoningsrecht voor alle vragen die gesteld gaan worden. Mr. Plas heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hierover ook toegelicht dat het getuigenverhoor ziet op vermeend frauduleus handelen van [appellante] en [appellante] daarom ten aanzien van alle vragen over dat onderwerp een beroep doet op haar verschoningsrecht. Dit komt neer op een beroep op een algemeen verschoningsrecht, dat door de rechter-commissaris daarom terecht is afgewezen. Zoals in rechtsoverweging 3.7. is overwogen, komt het nemo tenetur-verschoningsrecht immers slechts toe aan een verschenen getuige nadat hem een bepaalde vraag is gesteld en dan nog slechts met betrekking tot die specifieke vraag. Het beroep van [appellante] op het nemo tenetur-verschoningsrecht zal daarom per specifieke vraag moeten worden beoordeeld. De rechter-commissaris heeft die beoordeling niet kunnen doen, omdat er nog geen vragen aan [appellante] zijn gesteld.
3.10.
Het subsidiair verzochte, dat [appellante] gerechtigd is zich per aan haar gestelde vraag op het nemo tenetur-verschoningsrecht te beroepen, zal het hof eveneens afwijzen, omdat dit reeds volgt uit artikel 165 lid 3 Rv Pro en toewijzing daarmee zinledig zou zijn.
3.11.
Het hof overweegt het volgende ten overvloede. Bij de beoordeling van een beroep op het nemo tenetur-verschoningsrecht moet per vraag worden bezien of de getuige door beantwoording van de vraag het gevaar loopt zichzelf of een familielid bloot te stellen aan strafrechtelijke vervolging. Het noemen van gevaar voor vervolging voor fraude in het algemeen is daartoe onvoldoende en zal zonder nadere invulling niet tot honorering van het beroep op het nemo tenetur-verschoningsrecht kunnen leiden.
De conclusie
3.12.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van Kievhorst Real Estate bij het hof.
3.13.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt de bestreden beslissing van de rechter-commissaris die is vastgelegd in het proces-verbaal van 14 mei 2025 van het getuigenverhoor dat is gelast bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 24 februari 2025;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van Kievhorst Real Estate :
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van Kievhorst Real Estate (2 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. Wattel, K. Mans en H.J. Berends en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1265.