De moeder van een minderjarige geboren in 2009 is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing en de verlenging daarvan heeft verleend. De minderjarige staat sinds september 2023 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en verblijft sinds april 2025 in een behandelgroep. De GI verzocht de kinderrechter om machtiging tot uithuisplaatsing, welke werd verleend en later verlengd.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissingen. Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder brieven van de Raad voor de Kinderbescherming en een brief en telefonisch contact van de minderjarige zelf. De zitting vond plaats via videoverbinding vanwege weersomstandigheden.
Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend omdat er ernstige zorgen waren over het welzijn van de minderjarige, die zich terugtrok, geen hulp toeliet en niet naar school ging. De verlenging is eveneens terecht omdat de minderjarige nog niet thuis kan wonen en weigert medewerking aan behandeling. Wel zijn er kleine positieve ontwikkelingen tijdens verlofmomenten thuis.
Het hof bekrachtigt de beslissingen van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af. Het belang van de minderjarige staat voorop en een onmiddellijke terugkeer naar huis wordt als niet wenselijk gezien. De GI zal een route uitstippelen voor een stapsgewijze thuisplaatsing, afhankelijk van medewerking van de minderjarige.