ECLI:NL:GHARL:2026:568

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.356.604/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke omgangsregeling vader en zoon in afwachting van NIKA-onderzoek

De vader van een minderjarige zoon verzocht de rechtbank om uitbreiding van de omgangsregeling, die door de rechtbank werd afgewezen. De vader ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof stelde vast dat de voogdij-instelling (GI) sinds 2020 de voogd is en dat de minderjarige sinds juni 2020 bij pleegouders woont. De omgangsregeling was stapsgewijs uitgebreid tot onbegeleide omgang eens per twee weken op zaterdag.

Het hof constateerde dat er sprake is van een loyaliteitsconflict bij de minderjarige, die moeite heeft om pleegouders en vader een plek te geven. Er is een NIKA-traject gepland, een interventie met video feedback, dat nog moet starten. Het hof vond het verantwoord om de omgang tijdelijk uit te breiden met een overnachting eens per vier weken, zodat de situatie kan worden gevolgd en het NIKA-traject kan worden afgerond.

De beslissing houdt de zaak aan tot na ontvangst van de NIKA-resultaten, waarna verdere behandeling zal plaatsvinden. De vader accepteert dat de minderjarige in het pleeggezin opgroeit en beschikt over voldoende opvoedvaardigheden. Het hof wil met de tijdelijke regeling de patstelling doorbreken en het belang van het kind vooropstellen.

Uitkomst: Het hof stelt een tijdelijke omgangsregeling vast met uitbreiding van de omgang en houdt de zaak aan in afwachting van het NIKA-traject.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.604
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 586268)
beschikking van 3 februari 2026
over de omgangsregeling met
[minderjarige]
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. T. de Jong
en
de gecertificeerde instelling
Stichting
Samen Veilig Midden-Nederland(de GI)
die kantoor houdt in Utrecht
en
[belanghebbenden](de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] .

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de vader tot uitbreiding van de omgangsregeling met [minderjarige] afgewezen. Het hof houdt de behandeling van de zaak met zes maanden aan in afwachting van het NIKA-traject. Vanaf februari 2026 zal - voorlopig - de omgang tussen de vader en [minderjarige] met een overnachting in de vier weken worden uitgebreid. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en [de moeder] zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.2.
De GI is sinds 28 mei 2020 de voogd van [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont sinds 9 juni 2020 bij zijn pleegouders. In januari 2021 is door de GI het opvoedbesluit genomen dat [minderjarige] in dit pleeggezin zal opgroeien.
2.4.
De rechtbank heeft op 7 december 2022 een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld van minimaal één keer per week drie uur, waarbij de GI bepaalt of de omgang begeleid of onbegeleid plaatsvindt en de GI de mogelijkheid heeft de omgang in duur en frequentie uit te breiden voor zover dit in het belang is van [minderjarige] en dit de draagkracht van [minderjarige] niet overschrijdt.
2.5.
De GI heeft in overleg met de vader deze omgangsregeling stap voor stap uitgebreid naar onbegeleide omgang van eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht de omgangsregeling te wijzigen naar om de twee weken van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 7 april 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en zijn verzoek alsnog toewijst.
4.2.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het standpuntstuk van de GI met producties.
4.4.
De zitting bij het hof was op 16 december 2025. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat
  • een vertegenwoordiger van de GI
  • de pleegouders.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Achtergrond
5.2.
De vader is tijdens de zwangerschap van de moeder niet in beeld geweest. Volgens de moeder wilde de vader, toen zij hem voor de volgens haar onherroepelijke keuze stelde wel of geen rol te hebben in het leven van de (toen nog ongeboren) [minderjarige] , geen rol spelen in het leven van het kind. De verklaring van de moeder blijkt uit het raadsrapport van 24 juni 2022. De moeder was toen [minderjarige] werd geboren 15 jaar, de vader was 20 jaar. Volgens de vader is hij door de moeder juist weggehouden van het kind. In het najaar van 2020 heeft de vader contact opgenomen met de GI om zijn taak als vader op zich te nemen. [minderjarige] woonde op dat moment net een paar maanden in het huidige pleeggezin. Volgens de vader stond hij daardoor, zonder dat hij daar iets aan kon doen, op achterstand in de hechtingsrelatie met [minderjarige] .
5.3.
De Rading heeft in december 2020 een gezinsonderzoek uitgevoerd bij de grootouders (vaderszijde) van [minderjarige] , omdat zij de zorg van hun kleinzoon op zich wilden nemen, zodat hij binnen de familie van de vader zou kunnen opgroeien. De GI stond, volgens haar verklaring, voor de keuze tussen continuering van de opvoeding van [minderjarige] in het huidige pleeggezin en het laten opgroeien van [minderjarige] bij zijn familie. In januari 2021 heeft de GI ervoor gekozen [minderjarige] blijvend in het pleeggezin te laten opgroeien. Daarbij speelde een rol dat elke breuk in een gehechtheidsrelatie voor een kind beschadigend is, en dat de moeder van [minderjarige] zich nadrukkelijk heeft uitgesproken tegen een overplaatsing van [minderjarige] en tegen plaatsing bij de grootouders. Sindsdien is er discussie over de omgang met de vader, aldus de GI. De moeder is nauwelijks meer in beeld bij [minderjarige] .
Oordeel hof
5.4.
Uit de stukken blijkt dat al in 2021 is besloten systeemtherapie in te zetten. Voor het hof is onduidelijk waarom dit niet van de grond is gekomen. In ieder geval is er vervolgens voor gekozen eerst rust te creëren. In november 2024 zijn de pleegouders gestart met een eigen traject, gericht op het reduceren van de stress en het leren omgaan met alle emoties die het proces met zich brengt. De pleegouders hebben dit traject voor de zomer van 2025 afgerond. De vader is niet gestart met een individueel traject om zijn rol als vader op afstand te accepteren. Dat is omdat de vader, aldus de GI, aangeeft dat de gesprekken geen zin hebben zonder de aanwezigheid van de pleegouders.
5.5.
Er is een woord en beeld verhaal gemaakt, zodat [minderjarige] zich een beeld kan vormen van zijn verleden en de mensen die belangrijk voor hem zijn. De volgende stap, zo heeft het hof op de mondelinge behandeling gehoord, is het NIKA-traject. Dat is een kortlopende interventie die gebruik maakt van video feedback. De vader en de pleegouders hebben ieder een intakegesprek gehad bij NIKA. Dit traject is echter
on holdgezet in afwachting van de beslissing van dit hof. Volgens informatie van de GI is de verwachting dat dit traject in totaal zes maanden in beslag zal nemen.
5.6.
Intussen is er bij [minderjarige] sprake van oplopende spanningen rondom de omgang. Volgens de pleegouders houdt die spanning bij hem dagen aan. Volgens de raad op de mondelinge behandeling is er duidelijk sprake van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] . Dat wil zeggen dat [minderjarige] worstelt om zijn pleegouders en zijn vader met zijn familie een plek in zijn leven te geven. Het recente verslag van het gesprek dat [minderjarige] heeft gehad bij de GI en De Rading bevestigt dit beeld. Zonder de uitkomsten van het NIKA-traject is voor het hof nog onvoldoende duidelijk waar dit loyaliteitsconflict van [minderjarige] vandaan komt.
5.7.
Wel duidelijk is dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. Ook is duidelijk dat de vader over voldoende opvoedvaardigheden beschikt. De vader lijkt inmiddels ook te accepteren dat [minderjarige] opgroeit in het pleeggezin. Zo zegt de vader dat de pleegouders liefdevol zijn naar [minderjarige] en heeft de vader op de mondelinge behandeling gezegd dat hij niet wil dat [minderjarige] bij hem opgroeit. Het hof heeft dit zo opgevat dat de vader de wens dat [minderjarige] bij hem opgroeit uit liefde voor [minderjarige] heeft laten varen.
5.8.
Het hof constateert dat alle betrokkenen het beste met [minderjarige] voor hebben, dat zij zien dat [minderjarige] last heeft van de slechte samenwerking tussen de pleegouders en de vader, dat zij er allemaal voor open staan daarin verbetering aan te brengen, maar dat dit tot nu toe niet lukt. Van die patstelling lijkt [minderjarige] steeds meer last te hebben.
5.9.
Het hof zal de beslissing in deze zaak aanhouden in afwachting van de resultaten van het NIKA-traject. Aangezien de vader over voldoende opvoedvaardigheden beschikt en er, met uitzondering van het loyaliteitsconflict bij [minderjarige] , verder geen contra-indicaties zijn voor (uitbreiding van de) omgang, vindt het hof het verantwoord om vanaf februari 2026 en voor de duur van deze procedure de omgang uit te breiden met een overnachting in de vier weken. Op die manier wordt de patstelling doorbroken. De reacties van [minderjarige] op de overnachtingen kunnen dan ook meegenomen worden in het NIKA-traject. Dat betekent dat de vader en [minderjarige] - voorlopig - omgang met elkaar hebben eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur, welke omgang vanaf februari 2026 eens in de vier weken wordt uitgebreid van zaterdag 10.00 uur tot zondag 12.00 uur.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
stelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] dat zij eens in de twee weken omgang hebben op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur, welke omgang vanaf februari 2026 eens in de vier weken wordt uitgebreid van zaterdag 10.00 uur tot zondag 12.00 uur;
vraagt de GI om het hof uiterlijk
3 augustus 2026te informeren over de resultaten van het NIKA-traject met een afschrift aan de vader, de raad en de pleegouders;
stelt de vader, de raad en de pleegouders in de gelegenheid uiterlijk
3 september 2026een reactie op de stukken van de GI in te dienen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van de informatie van de GI te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen; en
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, S. Kuijpers en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.