ECLI:NL:GHARL:2026:554

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
24/1470
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak belastingaanslag inkomstenbelasting 2019

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van € 19.851. De Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en kende een dwangsom toe wegens niet tijdig beslissen. Belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde maar de Staat veroordeelde tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten vanwege termijnoverschrijding.

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure voegde belanghebbende stukken toe die leidden tot een ambtshalve vermindering van de aanslag door de Inspecteur. Ter zitting op 14 januari 2026 sloten partijen een compromis waarbij een hogere dwangsom en een proceskostenvergoeding werden toegekend, en het betaalde griffierecht werd vergoed.

Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, kende een dwangsom van € 1.442 toe, veroordeelde de Inspecteur tot betaling van € 3.736 aan proceskosten en gelastte vergoeding van het griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en de belangen van belanghebbende erkend.

Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent een dwangsom en proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1470
uitspraakdatum: 27 januari 2026
Uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 19 juni 2024, nummer AWB 22/1827, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.851. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Daarnaast heeft hij een dwangsom in verband met niet tijdig beslissen toegekend van € 115.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In verband met een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen beslist had moeten worden heeft zij de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000, de proceskosten van € 218,75 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoed.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft bij een nader stuk van 4 augustus 2025 stukken gevoegd die voor de Inspecteur aanleiding zijn geweest de aanslag IB/PVV 2019 ambtshalve te verminderen.
1.6.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord V.A.L. van Oostrum, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] en mr. [naam3] .

2.Overwegingen

2.1.
Ter zitting zijn partijen bij wijze van compromis het volgende overeengekomen:
Aan belanghebbende wordt een dwangsom in verband met niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift toegekend van € 1.442;
Aan belanghebbende wordt een proceskostenvergoeding toegekend met de volgende uitgangspunten:
i. Voor de bezwaarprocedure wordt toegekend: 1 punt
ii. Voor de beroepsprocedure wordt toegekend: 2 punten
iii. Voor de hogerberoepsprocedure wordt toegekend: 1 punt
Bij de bepaling van de proceskostenvergoeding wordt uitgegaan van het tarief 2026 en wegingsfactor 1;
De Inspecteur vergoedt aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht voor de procedures bij de Rechtbank (€ 50) en het Hof (€ 136);
Voor zover reeds een dwangsom of vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende is toegekend en/of uitbetaald, wordt deze verrekend met de door de Inspecteur op basis van dit compromis te betalen vergoedingen.
2.2.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
2.3.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep gegrond is.

3.Proceskostenvergoeding

Het Hof stelt de proceskostenvergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het door partijen gesloten compromis vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt x wegingsfactor 1 x € 666), € 1.868 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten x wegingsfactor 1 x € 934) en € 934 voor de kosten in hoger beroep (1 punt x wegingsfactor 1 x € 934), ofwel in totaal op € 3.736.

4.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– kent aan belanghebbende een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift toe van in totaal € 1.442;
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.736, en
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat en mr. J. Hollander als griffiers.
De beslissing is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.