In deze strafzaak tegen de veroordeelde, die in eerste aanleg tot 30 maanden gevangenisstraf werd veroordeeld, werd hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht, waarbij de straf werd verminderd tot 14 maanden, deels voorwaardelijk. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partijen betrof en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud.
Na terugwijzing is tussen de benadeelde partij en de veroordeelde een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin een schadevergoeding werd afgesproken en betaald. De benadeelde partij trok daarop haar vordering in. Het hof stelde vast dat hierdoor geen verdere beslissing meer nodig was en verklaarde de zaak gesloten.
De procedure kenmerkte zich door meerdere rechtslagen, waarbij de Hoge Raad een deel van de schadevordering zelf afhandelde en een ander deel terug verwees. De vaststellingsovereenkomst leidde tot een civielrechtelijke afwikkeling van de schadeclaim, waardoor het strafrechtelijke hof geen inhoudelijke uitspraak meer hoefde te doen over de schadevergoeding en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.
Het arrest van het hof werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op 29 januari 2026. De zaak betreft een complexe combinatie van strafrechtelijke veroordeling en civielrechtelijke schadeafwikkeling na een incident in juli 2021 te Mallorca.