ECLI:NL:GHARL:2026:530

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
21-002662-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis verkrachting en aanranding minderjarige met bewijsaanvulling

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 3 februari 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2025. Verdachte werd veroordeeld voor verkrachting van een minderjarige tussen twaalf en zestien jaar, aanranding van een minderjarige onder twaalf jaar, en (poging tot) gekwalificeerde opzetaanranding, allen voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaar, waaronder een contactverbod en locatieverbod. De vordering van een van de benadeelden werd toegewezen, terwijl de andere vordering deels werd afgewezen en in hoger beroep naar beneden bijgesteld.

Het hof heeft het bewijs aangevuld met de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting van 20 januari 2026, waarin hij het eerste feit bekende. De bewijsverweren in hoger beroep faalden, en het hof zag geen reden om af te wijken van de straf en de beslissingen over de vorderingen.

Het vonnis is derhalve in zijn geheel bevestigd met de bewijsaanvulling, waarbij de straf en vrijheidsbeperkende maatregelen ongewijzigd blijven.

Uitkomst: Bevestiging van 42 maanden gevangenisstraf en drie jaar vrijheidsbeperkende maatregel wegens verkrachting en aanranding van minderjarigen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002662-25
Uitspraakdatum: 3 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 met parketnummer 05-325355-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in Penitentiaire Inrichting [locatie] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2025.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 20 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, en mr. R. van Maaren, de advocaat van [benadeelde 1] , en mr. L. van Sommeren, de advocaat van [benadeelde 2] , hebben aangevoerd.
Namens [benadeelde 1] heeft [naam] , zijn stiefvader, het spreekrecht uitgeoefend ter zitting van het hof.

Het vonnis

In het vonnis is bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
  • Feit 1: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld;
  • Feit 2: aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
  • Feit 3: poging tot opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang;
  • Feit 4: opzetaanranding voorafgegaan door en vergezeld van dwang.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft verdachte voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Daarnaast heeft de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van drie jaren aan verdachte opgelegd, te weten een contactverbod met [benadeelde 2] en een locatieverbod voor [plaats] en de [gemeente] . In het geval verdachte niet aan deze maatregel voldoet, is de duur van de vervangende hechtenis bepaald op ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. De rechtbank heeft deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard.
De vordering van [benadeelde 1] is volledig toegewezen door de rechtbank tot een bedrag van € 7.600,00 (bestaande uit € 100,00 aan materiële schade en € 7.500,00 aan smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van [benadeelde 2] , bestaande uit
€ 62,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan smartengeld, is niet-ontvankelijk verklaard.
De vordering van [benadeelde 1] is in hoger beroep gehandhaafd. De vordering van [benadeelde 2] is in hoger beroep naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden en op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis in zijn geheel bevestigen, met aanvulling van het bewijs zoals hierna vermeld. Het vonnis moet worden gelezen met inachtneming van die aanvulling. Dit betekent dat de in hoger beroep gevoerde bewijsverweren niet slagen. Het hof ziet in wat verder is aangevoerd ook geen reden om af te wijken van de door de rechtbank opgelegde straf en de beslissing op de vordering van [benadeelde 2] .

Aanvulling ten aanzien van de bewijsmiddelen

Het hof zal de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aanvullen met de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij het hof op de zitting van 20 januari 2026, te weten:
“Het klopt dat ik het eerste feit, zoals deze door de rechtbank is bewezenverklaard, beken.”

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Stahlie, mr. F.A.M. Bakker en mr. K. Gilhuis, in aanwezigheid van de griffier mr. I.H. Scharrenberg en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 februari 2026.