ECLI:NL:GHARL:2026:519

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.359.655/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter over zekerheidstelling bij bestuursstraf

De betrokkene stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. De betrokkene voerde aan dat hij financieel niet in staat was de volledige zekerheid te stellen en slechts een klein bedrag kon overmaken, wat hij met bankafschriften onderbouwde.

De kantonrechter oordeelde dat het draagkrachtverweer ongegrond was en gaf een nieuwe termijn om het volledige bedrag van €289,- te voldoen. Het hof stelde vast dat de kantonrechter een te hoog bedrag had verlangd, aangezien de wettelijke verplichting slechts €234,- bedroeg (inclusief administratiekosten).

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling, waarbij rekening moet worden gehouden met de juiste hoogte van de zekerheidstelling en de financiële situatie van de betrokkene.

De procedure benadrukte het belang van het recht op toegang tot de rechter en de noodzaak om draagkrachtverweren zorgvuldig te beoordelen, met inachtneming van artikel 6 EVRM Pro en artikel 11 Wahv Pro.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling met inachtneming van een lagere zekerheidstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.359.655/01
CJIB-nummer
: 257744179
Uitspraak d.d.
: 30 januari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Op 7 januari 2026 is nog een e-mail van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld (binnen de daarvoor gestelde termijn) en er geen aanleiding bestaat om te oordelen dat dit verzuim niet aan de betrokkene zou mogen worden toegerekend.
2. De betrokkene voert aan dat, nadat hij erachter kwam dat hij zekerheid moest stellen, hij direct telefonisch contact heeft opgenomen met de rechtbank Den Haag en zijn situatie heeft uitgelegd. De betrokkene is niet in staat om zekerheid te stellen gelet op zijn financiële situatie. Degene met wie de betrokkene telefonisch heeft gesproken, heeft geadviseerd om toch een klein bedrag (€ 25,-) over te maken, zodat de rechter zich over de zaak van de betrokkene kon buigen. De betrokkene heeft € 25,- overgemaakt. Meer geld was er niet op dat moment. De betrokkene heeft met bewijstukken (bankafschriften) bewezen dat wat hij beweert de waarheid is. De betrokkene vraagt zich af of deze stukken wel in het dossier zijn opgenomen. De betrokkene voelt zich ongehoord. Elke keer legt hij zijn situatie duidelijk uit. De zaak zou allang geseponeerd moeten zijn.
3. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter bij sancties van € 225,- of meer zekerheid te stellen voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten.
4. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. De betrokkene heeft bij het indienen van het beroep bij de kantonrechter op 5 augustus 2023 aangegeven dat hij geen zekerheid kan stellen in verband met zijn financiële situatie en daarbij een bankafschrift overgelegd. Bij brief van 15 augustus 2024 is de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 20 september 2024. In deze uitnodiging is (onder meer) vermeld dat de betrokkene op de zitting kan toelichten waarom het stellen van zekerheid zijn financiële positie te boven gaan en dat het raadzaam is bewijsstukken mee te brengen waaruit zijn financiële positie blijkt. Op 20 september 2024 heeft de kantonrechter op de zitting, waar de betrokkene niet is verschenen, een tussenbeslissing genomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de betrokkene onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet in staat is de zekerheid te betalen. Gelet op de overgelegde bankafschriften, waarop de inkomsten van de betrokkene te zien zijn, is er naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aanleiding om de door de betrokkene te stellen zekerheid te verlagen. De kantonrechter heeft de betrokkene vervolgens in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na verzending van de beslissing alsnog het gehele bedrag, te weten € 289,-, te voldoen. De betrokkene heeft bij brief, door de griffie van de rechtbank ontvangen op 18 november 2024, nogmaals aangegeven dat hij geen zekerheid kan stellen en er daarbij op gewezen dat hij meerdere malen heeft gebeld met een medewerker van de griffie en dat die persoon hem heeft verteld dat het wijs was om maar één bedrag over te maken en dat de betrokkene dit heeft gedaan. Op 31 augustus 2023 is een bedrag van € 25,- van de betrokkene ontvangen.
7. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het draagkrachtverweer nader te onderbouwen, maar heeft dit niet gedaan. De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer ongegrond geacht en de betrokkene een nadere termijn gegeven om alsnog zekerheid te stellen. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter, gelet op de hem ter beschikking staande informatie, niet tot die beslissing heeft kunnen komen. Dat een medewerker van de griffie de betrokkene heeft geadviseerd € 25,- over te maken, zodat de kantonrechter zich over de zaak kon buigen, is niet aannemelijk geworden en zou bovendien nog niet meebrengen dat de betrokkene ervan mocht uitgaan dat zijn beroep inhoudelijk zou worden behandeld. Het is namelijk niet aan de griffier, maar aan de kantonrechter of een lager bedrag aan zekerheidstelling mag worden betaald.
8. Het hof stelt echter vast dat de kantonrechter een te hoog bedrag aan zekerheidstelling van de betrokkene heeft verlangd. Er is sprake van een sanctie van meer dan € 225,-. De kantonrechter had moeten bepalen dat de betrokkene een bedrag van € 234,- (€ 225,- en € 9,- administratiekosten) aan zekerheid diende te stellen. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.