ECLI:NL:GHARL:2026:4935

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
21-004739-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.60 WmArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedrijf voor illegale overbrenging van PU-schuim als afvalstof naar Verenigde Arabische Emiraten

Een bedrijf dat afgedankte matrassen recyclet, werd in hoger beroep veroordeeld voor het illegaal overbrengen van balen geperst polyurethaanschuim (PU-schuim) naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Het hof oordeelde dat het PU-schuim nog als afvalstof moest worden aangemerkt omdat de nuttige toepassing niet was voltooid; verdere bewerkingen waren noodzakelijk voordat het als grondstof kon worden ingezet.

De zaak draaide om de vraag of het PU-schuim de status van 'einde-afvalstof' had verkregen. De verdediging stelde dat het PU-schuim na bewerking geen afvalstof meer was, maar het hof volgde de procesbeschrijving van de afnemer in de VAE, waar nog verdere verwerking plaatsvond. Hierdoor bleef het PU-schuim afvalstof en viel het onder het verbod van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).

De overbrenging was verboden omdat de VAE de invoer van deze afvalstoffen van de groene lijst heeft verboden. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde een geldboete van € 2.000,- op, waarvan € 1.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De redelijke termijn was in eerste aanleg en hoger beroep overschreden, wat in de strafoplegging werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 2.000, waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens illegale overbrenging van PU-schuim als afvalstof naar de VAE.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004739-22
Uitspraakdatum: 21 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 oktober 2022 met parketnummer 81-072083-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd in [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het mondelinge vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 juli 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens verdachte door de gemachtigde van verdachte, [naam] , en de raadsman, mr. W.J.W. van Eijk, is aangevoerd.

Het vonnis

Bij bovengenoemd (mondeling) vonnis heeft de economische politierechter het tenlastegelegde bewezen verklaard, dit gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, en verdachte hiervoor veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,00 waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 18 juni 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder Pro 35 sub f van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was zij, verdachte, doende een container waarvan de inhoud bestond uit (balen) polyurethaanschuim (B3010), in elk geval een afvalstof als bedoeld in Bijlage III van deze verordening, over te brengen van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36 lid 1 sub f van Pro die verordening.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de advocaatgeneraal aangevoerd dat de samengeperste balen polyurethaanschuim (PU-schuim) zijn aan te merken als groenelijstafvalstoffen (code B3010) in de zin van bijlage 3 bij de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen [1] (EVOA). Op grond van de Landenverordening [2] geldt een verbod op de overbrenging van deze afvalstof naar de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De stelling van de verdediging dat sprake is van een einde-afvalstatus na het bewerkingsproces bij verdachte dient als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen, gelet op met name de procesbeschrijving van de Italiaanse tussenpersoon [bedrijf] van nuttige toepassing van het PUschuim in de VAE. Daaruit volgt dat ten tijde van de (geplande) overbrenging nog geen sprake was van een voltooide nuttige toepassing, aldus de advocaatgeneraal.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Verdachte neemt afgedankte matrassen in van consumenten, hotels en milieustraten en haar bedrijfsproces is erop gericht herbruikbare materialen uit de matrassen te halen. De uit de matrassen verkregen fracties worden gescheiden. Daarbij worden hygiënecontroles gedaan. In dit geval is het uit de matrassen verkregen PU-schuim in stroken gesneden en op kwaliteit en hygiëne gecontroleerd en in balen geperst. Het PU-schuim was bedoeld voor een meubelmaker in de VAE om direct toe te passen als vulmiddel voor kussens, bankstellen en ligbedden. Na het bewerkingsproces bij verdachte is het PU-schuim geen afvalstof meer, maar een grondstof die direct geschikt is voor nieuwe toepassing. Het PU-schuim heeft een afgeronde recyclingbehandeling ondergaan en voldoet ook overigens aan de eindeafvalcriteria van artikel 1.1, achtste lid, van de Wet milieubeheer (Wm), waarmee artikel 6 van Pro de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L312/3; hierna: Kaderrichtlijn afvalstoffen) is geïmplementeerd. Dat verdachte het PU-schuim zelf eerder als afvalstof heeft aangemerkt, doet daar volgens de raadsman niet aan af.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de bewijsmiddelen op in een aanvulling op het arrest.
Wettelijk kader
Bij de beoordeling is het volgende wettelijk kader van belang zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde.
Wet milieubeheer (Wm)
Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
(…)
recycling: nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
(…)
6. Indien afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan, voldoen aan de ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de kaderrichtlijn afvalstoffen vastgestelde criteria en tevens behoren tot het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden zij niet langer als afvalstoffen aangemerkt. Onze Minister kan per geval besluiten of bij ministeriële regeling per afvalstroom regelen dat een afvalstof, respectievelijk een afvalstroom, die een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan, niet als afval wordt aangemerkt, voor zover voor deze afvalstof respectievelijk afvalstroom geen criteria van toepassing zijn als bedoeld in de eerste volzin en ook wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de kaderrichtlijn afvalstoffen. Bij ministeriële regeling wordt aangegeven welke stoffen, mengsels of voorwerpen in ieder geval, onverminderd het bepaalde in de eerste en tweede volzin, worden aangemerkt als afvalstoffen, indien de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. (…) [3]
Artikel 10.60, tweede lid
Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EGverordening overbrenging van afvalstoffen.
EVOA
Artikel 2
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. afvalstoffen”: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG [het hof: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens zich te ontdoen of zich moet ontdoen];
(…)
6. „ nuttige toepassing”: een handeling als omschreven in artikel 1, lid 1, onder f), van Richtlijn 2006/12/EG [het hof: alle in bijlage II B bedoelde handelingen (voor de nuttige toepassing zoals die in de praktijk plaatsvinden)];
(…)
34. „ overbrenging”: het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben: a) tussen een land en een ander land.
35. „ illegale overbrenging”: een overbrenging van afvalstoffen:
(…)
f) dat in strijd is met de artikelen (…) 36 (…).
Artikel 36
1. De uitvoer uit de Gemeenschap van de volgende soorten afvalstoffen die bestemd zijn voor nuttige toepassing in landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, is verboden voor:
(…)
f) afvalstoffen waarvan het land van bestemming de invoer heeft verboden.
Bijlage III
Lijst van afvalstoffen die vergezeld moeten gaan van bepaalde informatie als bedoeld in artikel 18 („Groene” lijst van afvalstoffen)
Deel 1
De volgende afvalstoffen zijn onderworpen aan de procedure krachtens welke zij vergezeld dienen te gaan van bepaalde informatie als bedoeld in artikel 18:
Afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage IX van het Verdrag van Bazel.
Bijlage V, deel 1, lijst B EVOA (bijlage IX Lijst B van het Verdrag van Bazel)
B3010 Afval van kunststof in vaste vorm:
(…)
- polyurethanen (die geen CFK’s bevatten).
Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) [4]
Artikel 3
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. afvalstof”: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
(…)
15. „ nuttige toepassing”: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een nietlimitatieve lijst van nuttige toepassingen;
(…)
17. „ recycling”: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. (…)
Artikel 6, eerste en vierde lid (eindeafvalfase)
1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:
a. a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;
b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;
c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens
d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid. (…)
4. Indien er geen volgens de leden 1 en 2 bedoelde procedure op communautair niveau bepaalde criteria bestaan, kunnen de lidstaten, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. (…)
Landenverordening
Bijlage
De letters a), b), c) en d) boven de kolommen in deze bijlage betekenen:
a. a) verbod;
(…)
Verenigde Arabische Emiraten
a
Alle afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage III (…).
Nadere bewijsoverwegingen
Op 18 juni 2020 heeft de Belastingdienst/Douane op het terrein van de vestiging van verdachte in [plaats] een fysieke controle uitgevoerd op goederen die ten uitvoer waren aangegeven en gereedstonden om in een zeecontainer te worden geladen. De zending bestond uit balen geperste restanten van PU-schuim. De bestemming van de container was de VAE. Op een bijlage VIIformulier (Begeleidende informatie bij overbrengingen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4) is de zending aangeduid als “PU Foam Scrap”. De VAE is een nietOESOland dat op grond van de Landenverordening de overbrenging van afvalstoffen van de groene lijst waaronder die van code B3010 van bijlage III EVOA heeft verboden.
Verdachte heeft in 2020 een overeenkomst gesloten met [bedrijf] in Italië over de verkoop van PUschuim uit afgedankte matrassen. Op 3 februari 2020 heeft verdachte een overeenkomst als bedoeld in artikel 18, tweede lid, EVOA gesloten met [bedrijf] over de overbrenging van afvalstoffen van code B3010 van bijlage III EVOA, zijnde “PU Foam Scrap”.
Op het bijlage VIIformulier staat [bedrijf] vermeld als opdrachtgever van de overbrenging van de balen PU-schuim en als ontvanger Just on time chemical trading (JOTMEA) in [plaats] . Uit een schriftelijke verklaring van JOTMEA van 18 juni 2020 komt naar voren dat zij regelmatig “PU Trim Foam” koopt van [bedrijf] en dat zij het op haar beurt weer inkoopt en laat verzenden vanuit Italië, Nederland en andere EU-landen.
Een e-mail van 9 juli 2020 van [naam] namens verdachte aan de Belastingdienst/Douane houdt in dat [bedrijf] verdachte heeft benaderd voor de inkoop van PUschuim voor haar klant [klant/bedrijf] en dat de bestemming van het PUschuim de VAE is. Het PUschuim wordt gebruikt voor de productie van “rebonded foam” dat wordt toegepast in matrassen, ondertapijt en isolatiemateriaal.
[bedrijf] heeft een beschrijving in het Engels overgelegd van de bewerking die het van verdachte gekochte PU-schuim ondergaat: schoon PUschuim wordt in kleine uniforme stukjes van maximaal twee inch versnipperd, waarbij alle fijne deeltjes worden verwijderd, waarna de “chips” worden verlijmd tot PUschuim met een hoge dichtheid. Dit “rebonded foam” wordt gebruikt als vulling van kussens, bij de productie van bedden en vloeren en voor akoestische en isolatiesystemen.
Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof bevestigd dat de productiebeschrijving van [bedrijf] juist is. Het ten laste gelegde PUschuim zou worden toegepast in de meubelindustrie, maar welke voorbewerking het daarvoor nog moest ondergaan heeft de gemachtigde van verdachte niet kunnen toelichten.
In het bedrijf van verdachte worden afgedankte matrassen ontleed en wordt materiaal, waaronder metaal, textiel en PU-schuim, gesorteerd. Namens verdachte is op de zitting toegelicht dat PUschuim visueel op vervuiling en (andere) hygiënische aspecten wordt gecontroleerd. Het PUschuim wordt in stroken gezaagd en voor transport in balen geperst. Namens verdachte is aangevoerd dat het een gewoonte was om het PU-schuim bij overbrenging als afvalstof te omschrijven maar dat PU-schuim op het moment van overbrenging de afvalstofstatus heeft verloren en als grondstof moet worden gezien.
Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof in de zin van de EVOA, de Kaderrichtlijn afvalstoffen en de Wm moet worden vastgesteld of de houder zich van het desbetreffende voorwerp of de desbetreffende stof heeft ontdaan of voornemens was zich daarvan te ontdoen. Voorwerpen of stoffen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen, zijn afvalstoffen, ongeacht of zij substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn. Zij blijven afvalstoffen totdat zij de status van afvalstof hebben verloren. (Vgl. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:433.)
Niet in geschil is dat de door verdachte ingezamelde afgedankte matrassen met PUschuim afvalstoffen zijn omdat de houders zich daarvan hebben ontdaan. De vraag is of de daaropvolgende bewerking door verdachte met zich meebrengt dat het ten laste gelegde PUschuim een ‘einde-afvalstofstatus’ heeft gekregen en dus de afvalstofstatus heeft verloren en als grondstof moet worden gezien. Voor PUschuim zijn noch communautaire noch nationale criteria geformuleerd als bedoeld in artikel 6 van Pro de Kaderrichtlijn afvalstoffen en artikel 1.1, zesde lid, Wm – zoals die bepaling gold ten tijde van het tenlastegelegde – om te beoordelen wanneer PUschuim na een handeling van nuttige toepassing niet langer afvalstoffen zijn. Richtsnoer is de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die op Richtlijn 2008/98EG of eerdere rechtsinstrumenten ziet. In HvJ EG 15 juni 2000, zaken C418/97 en C419/97 (
ARCO Chemie Nederland e.a.), ECLI:NL:XX:2000:AL2947 heeft het Hof van Justitie de ‘eindeafvalfase’ omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken van een grondstof heeft verkregen (§ 94). In HvJ EG 19 juni 2003, zaak C444/00 (
Mayer Parry), ECLI:EU:C:2003:356 heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij omvorming van afval tot nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen, dit resultaat van de omvorming niet langer als afval kan worden gekwalificeerd (§ 75). [5] Voor de beantwoording van de vraag of bij het PUschuim nog sprake is van een afvalstof is in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van belang of op de ten laste gelegde pleegdatum het proces van (bewerking voor) nuttige toepassing was voltooid en of het PUschuim in de VAE nog andere handelingen van nuttige toepassing zou hebben moeten ondergaan voordat het dezelfde kenmerken en eigenschappen als een grondstof heeft verkregen en op vergelijkbare wijze als de primaire grondstof in het productieproces had kunnen worden ingezet.
Op basis van de procesbeschrijving van [bedrijf] stelt het hof vast dat het PU-schuim door de afnemer in de VAE ten minste nog in kleine uniforme stukjes zou worden versnipperd en verlijmd voordat het als primaire grondstof in de vorm van “rebonded foam” zou worden toegepast. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het ten laste gelegde PUschuim in weerwil van de procesbeschrijving van [bedrijf] zonder voorafgaande verdere bewerking in de meubelindustrie zou zijn toegepast. Verdachte heeft het PUschuim ook alleen visueel op hygiënische kenmerken gecontroleerd, waardoor de vraag rijst of het daarmee schoon in de zin van de procesbeschrijving van [bedrijf] zou zijn geweest en of niet nog verontreinigingen moesten worden verwijderd en stoffen die niet gewenst zijn in het eindmateriaal moesten worden afgescheiden. Met de door verdachte verrichte afvalhandelingen – het selecteren van geschikte matrassen, daaruit PUschuim verwijderen en dit in stroken zagen – was naar het oordeel van het hof nog geen sprake van een voltooide nuttige toepassing.
Het hof komt daarom tot de conclusie dat het PUschuim dat gereed stond voor verzending naar de VAE als afvalstof moet worden gekwalificeerd. De producties die de verdediging in hoger beroep heeft overgelegd, waaronder een stuk van Europur van 1 juli 2026 inhoudende een analyse van de eindeafvalstofstatus van PUschuim uit matrassen, dwingen niet tot een andere conclusie.
Met de ten laste gelegde balen PUschuim waarmee een container voor de overbrenging naar de VAE zou worden geladen, is sprake van een gepland vervoer van afvalstoffen naar een land van bestemming dat de invoer van die afvalstoffen heeft verboden, zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder f, EVOA. Daarmee is sprake van een illegale overbrenging in de zin van artikel 2, onder 35, EVOA, zodat verdachte het verbod van artikel 10.60, tweede lid, Wm heeft overtreden.
Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op
of omstreeks18 juni 2020 in [plaats]
, in elk geval in Nederland, al dan nietopzettelijk
, (een
)handeling
(en)heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, aanhef en onder f, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was zij, verdachte, doende een container waarvan de inhoud bestond uit (balen) polyurethaanschuim (B3010),
in elk gevaleen afvalstof als bedoeld in Bijlage III van deze verordening, over te brengen van Nederland naar de Verenigde Arabische Emiraten, terwijl die overbrenging geschiedde in strijd met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder f, van die verordening.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.800,00 waarvan € 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd in geval van een bewezenverklaring.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de financiële draagkracht van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich als professionele marktdeelnemer schuldig gemaakt aan een (geplande) illegale overbrenging van een afvaltransport van geperste balen PU-schuim naar de VAE. Verdachte heeft onjuist gehandeld doordat zij op het punt stond afvalstoffen van de groene lijst over te brengen naar een land van bestemming dat de invoer van die afvalstoffen op grond van de EVOA en de Landenverordening heeft verboden. Deze bepalingen beogen internationaal transport van afvalstoffen te reguleren om ongewenste gevolgen van de overbrenging van afvalstoffen voor mens en milieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Bij het bepalen van de straf heeft het hof ook acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie over verdachte van 8 juni 2026, waaruit volgt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Verder heeft het hof de bedrijfsomstandigheden van verdachte die ter terechtzitting namens verdachte naar voren zijn gebracht in aanmerking genomen.
Het hof houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat geen sprake is van milieuschade en dat het PU-schuim gepland stond te worden vervoerd maar uiteindelijk niet naar de VAE is overgebracht.
De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden in eerste aanleg en in hoger beroep. Op 5 augustus 2020 is een gemachtigde namens verdachte gehoord en de economische politierechter in de rechtbank MiddenNederland heeft op 24 oktober 2022, twee jaar en ruim twee maanden later, uitspraak gedaan. Hiermee is de redelijke termijn in eerste aanleg overschreden met ruim twee maanden. Namens verdachte is hoger beroep ingesteld op 31 oktober 2022 en het hof doet op 21 juli 2026, drie jaar en ruim zeven maanden later, uitspraak. De redelijke termijn in hoger beroep is hiermee overschreden met een jaar en ruim zeven maanden.
Alles afwegende acht het hof als uitgangspunt een geldboete van € 2.000,00 waarvan
€ 1.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep zal het hof aan verdachte opleggen een geldboete van € 2.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10.60 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikelen 2 en 36 EVOA.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder onder nummer 3132 5420 0424 6717 aan verdachte uitgevaardigde strafbeschikking van 22 maart 2021.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter, mr. Th.C.M. Willemse en mr. O.F. Essens, raadsheren, in aanwezigheid van de griffier
mr. Y.A. Hoekstra en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 juli 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 21 juli 2026.
Tegenwoordig:
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. N.M. van Collenburg, advocaat-generaal,
mr. G.J.H. van Vliet, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Namens verdachte is niemand in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L190).
2.Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESObesluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is (PbEU L316).
3.De raadsman heeft verwezen naar artikel 1.1, achtste lid, Wm voor criteria voor de beoordeling of bepaalde afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan niet langer afvalstoffen zijn. De wijziging van de Wm waarbij deze criteria in artikel 1.1. zijn opgenomen is op 1 juli 2020 en dus na de ten laste gelegde pleegdatum in werking getreden. Artikel 1.1, achtste lid, Wm luidde sinds 1 juli 2020:
4.Richtlijn 2008/98/EG heeft richtlijn 2006/12/EG vervangen met ingang van 12 december 2010 (artikel 41 van Pro de Kaderrichtlijn afvalstoffen). Richtlijn 2008/98/EG heeft de reikwijdte van het begrip afvalstoffen op twee punten ‘gespecificeerd’ (overweging 22). In de eerste plaats bepaalt de richtlijn onder welke voorwaarden een stof als een bijproduct en niet als een afvalstof kan worden aangemerkt (artikel 5). In de tweede plaats bepaalt de richtlijn onder welke voorwaarden sommige specifieke afvalstoffen die een behandeling voor nuttige toepassing waaronder een recyclingsbehandeling hebben ondergaan niet langer afvalstoffen zijn (artikel 6). Deze bepalingen zijn gebaseerd op rechtspraak van het Hof van Justitie.
5.De samenvatting van deze uitspraken is ontleend aan HR 3 december 2013, ECLI:NL:2013:1571, rov. 2.6.3.