ECLI:NL:GHARL:2026:4849

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
200.369.772/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening omgangsregeling minderjarige na scheiding ouders

De moeder verzocht het hof om een voorlopige voorziening te treffen die de omgangsregeling tussen haar zoon en de vader zou beperken, vanwege zorgen over de emotionele veiligheid en stress van het kind. Zij baseerde haar verzoek op een rapport van een kindbehartiger en stelde dat de vader geen structuur biedt en negatief over haar spreekt.

De vader betwistte deze stellingen en benadrukte dat het kind recentelijk een gelukkige vakantie met hem had doorgebracht en dat het rapport van de kindbehartiger eenzijdig en subjectief was. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens om het verzoek af te wijzen, omdat het niet in het belang van het kind is om de omgang te beperken.

Het hof concludeerde dat hoewel het kind stress ervaart door de situatie tussen de ouders, er geen aanwijzingen zijn dat de vader onveilig is of dat de omgang direct beperkt moet worden. Het hof vond het belangrijk dat het kind de geplande vakantie met de vader en zijn andere kinderen kan voortzetten. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.369.772/02
zaaknummer rechtbank Amsterdam 772959
beschikking van 23 juli 2026 betreffende een verzoek om een provisionele voorziening
inzake
[de moeder],
wonende in [woonplaats],
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verzoekster tot het treffen van een provisionele voorziening,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.G.M. ter Avest
en
[de vader],
wonende in [woonplaats]
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verweerder in het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.P. van der Schaaf.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 26 maart 2026;
- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek en tevens houdende verzoek
om een provisionele voorziening;
- een verweerschrift tegen het verzoek om een provisionele voorziening.
1.2
Ter griffie van het hof zijn verder binnengekomen:
- een usb-stick met geluid/beeldmateriaal, ingediend namens de moeder.
- een journaalbericht namens de moeder van 6 juli 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 7 juli 2026.
1.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 juli 2026 plaatsgevonden. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Ook was er een vertegenwoordiger van de Raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) aanwezig.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].
[de minderjarige] is allergisch voor onder andere melk, noten, soja en selderij en daarom moet er altijd een Epi-pen bij hem in de buurt zijn.
2.2
Op 31 oktober 2018 zijn de ouders in het door hen ondertekende ouderschapsplan een zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige] overeengekomen. Sindsdien hebben de ouders veelvuldig geprocedeerd over de zorgregeling.
2.3
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, naast de beslissing dat de moeder voortaan alleen het gezag over [de minderjarige] zal uitoefenen, voor zover in deze voorlopige voorzieningenprocedure van belang (en kort samengevat):
- de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader [de minderjarige] terugbrengt in het portiek van de moeder;
- beslist dat de vader een dwangsom verbeurt van € 1.000 per keer dat hij [de minderjarige] (zonder schriftelijke toestemming van de moeder) meer dan dertig minuten te laat terugbrengt, met een maximum van € 50.000;
- beslist dat [de minderjarige] en de vader iedere woensdag tussen 17.00 uur en 17.15 uur een videobelmoment zullen hebben, waarbij de vader belt;
- beslist dat de in de beschikking van 12 juni 2023 bepaalde vakantieregeling wordt gehandhaafd;
- beslist dat de in de beschikking van 12 juni 2023 bepaalde feestdagenregeling wordt gehandhaafd.

3.De omvang van het geschil

3.1
De moeder heeft als provisionele voorziening verzocht om gedurende de duur van dit geding, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
- dat [de minderjarige] één zaterdag per twee weken van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de vader (en niet bij anderen) verblijft;
- dat [de minderjarige] op Vaderdag en eerste kerstdag bij de vader verblijft van 13.00 uur tot 17.00 uur;
- dat [de minderjarige] op zijn verjaardag bij de vader verblijft: op doordeweekse dagen uit school
tot 17.00 uur en op weekenddagen van 13.00 uur tot 17.00 uur;
- dat er geen videobelmomenten meer plaats zullen vinden;
- dat de overdrachten zullen plaatsvinden bij de moeder aan de voordeur;
- dat de vader [de minderjarige] -buiten aanwezigheid van derden- tijdig dient terug te brengen bij de moeder, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per keer dat de vader [de minderjarige] meer dan 30 minuten te laat terugbrengt zonder uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de moeder met een maximum van € 50.000.
Met veroordeling van vader in de proceskosten.
3.2
De vader vraagt het hof om deze verzoeken van de moeder af te wijzen.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Op grond van artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat deze vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling is ook van toepassing in een verzoekschriftprocedure. Het verzoek kan voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Een voorlopige voorziening is dus een tijdelijke beslissing, die slechts geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet in die zin belang hebben bij het verzoek dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Een spoedeisend belang is geen vereiste.
4.2
De moeder heeft gesteld dat [de minderjarige] als gevolg van de huidige zorgregeling veel onrust en onveiligheid ervaart, waardoor hij gestrest en getraumatiseerd is. Volgens de moeder is dit een gevolg van het handelen van de vader, die [de minderjarige] geen echte houvast of structuur biedt, die een vervelende houding aanneemt tegen de moeder, die met [de minderjarige] volwassen zaken bespreekt en negatief praat over de moeder. Bovendien pleegt de vader volgens de moeder intieme terreur tegen haar. De moeder denkt dat [de minderjarige] vanuit zijn loyaliteit een copingsmechanisme heeft ontwikkeld om zich staande te houden tussen de twee werelden van de vader en de moeder.
Volgens de moeder moet daarom de tijd die [de minderjarige] volgens de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling bij de vader doorbrengt nu al worden beperkt en kan de uitspraak van het hof in de bodemprocedure niet worden afgewacht. Zij baseert de stellingen van haar verzoek op de gerapporteerde bevindingen van de bij [de minderjarige] betrokken kindbehartiger.
4.3
De vader heeft aangevoerd dat [de minderjarige] lijdt onder de slechte verstandhouding tussen de ouders, maar dat de moeder niet heeft aangetoond dat de emotionele belasting van [de minderjarige] door zijn handelen wordt veroorzaakt. Volgens de vader was [de minderjarige] in de week voorafgaand aan de zitting met hem op vakantie in Nederland, was hij vooral blij en heeft hij genoten van de tijd met de vader. De vader voert aan dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat ook de komende vakantie naar Ibiza kan doorgaan, omdat [de minderjarige] daar samen kan zijn met de andere vier kinderen van hem, met wie [de minderjarige] een goede band heeft. Volgens de vader worden in het rapport van de kindbehartiger zware psychologische termen gebruikt zonder diagnostische basis, is er een gebrek aan objectiviteit en evenwicht en worden bovendien observatie en interpretatie vermengd. Daarnaast is de vader van mening dat de kindbehartiger in haar onderzoek niet onafhankelijk heeft kunnen zijn omdat zij en de advocaat van de moeder elkaar kennen. De vader ziet wel dat er iets moet veranderen en hij heeft daarom voor zichzelf hulp gezocht. Hij ontkent dat er sprake is van intieme terreur. Er is volgens de vader geen reden om de zorgregeling te beperken.
4.4
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat het niet in het belang is van [de minderjarige] dat er op dit moment een beperking komt van de contactmomenten met de vader, en daarmee ook met de andere kinderen van de vader. De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de moeder tot het treffen van de voorlopige voorziening af te wijzen.
4.5
Het hof zal het verzoek van de moeder, zoals aan het eind van de mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld, afwijzen. Tijdens de zitting van het hof is gebleken dat de zorgregeling tot op het moment van de mondelinge behandeling door de ouders is uitgevoerd zoals in de bestreden beschikking is bepaald. [de minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting nog een week bij de vader doorgebracht. Het hof maakt uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd op dat [de minderjarige] geniet van de momenten met de vader. Echter is ook voldoende duidelijk geworden, wat beide partijen ook beamen, dat [de minderjarige] veel last heeft van de huidige situatie tussen zijn ouders, waarin hij steeds moet schakelen tussen de situatie bij zijn moeder en zijn vader. Dit doet een groot beroep op zijn loyaliteit en veroorzaakt bij hem de nodige stress.
De vraag is echter of de oorzaak van de bij [de minderjarige] aanwezige stress enkel en alleen wordt veroorzaakt door het handelen van de vader en of de situatie bij de vader onveilig is voor [de minderjarige] – zoals de moeder heeft gesteld en de vader heeft betwist – en dat daarom de contacten tussen [de minderjarige] en de vader nu direct moeten worden beperkt. Het hof leest in de bevindingen van de door de moeder ingeschakelde kindbehartiger, zoals ook de raadsadviseur tijdens de zitting in haar advies heeft aangevoerd, een eenzijdig negatief oordeel over de vader en een eenzijdig positief oordeel over de moeder en dat daarin weinig of geen nuancering is aangebracht. Het hof ziet geen aanleiding om de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de vader nu te beperken. Dit betekent niet dat het hof niet ziet dat de situatie van [de minderjarige] zorgelijk is. Een beperking van de zorgregeling op dit moment, dat onder andere tot gevolg kan hebben dat [de minderjarige] volgende week niet met de vader en zijn andere kinderen vakantie op Ibiza kan doorbrengen, is naar het oordeel van het hof echter niet in het belang van [de minderjarige]. Het hof is het met de raad eens dat een plotselinge beperking van de contacten het loyaliteitsconflict bij [de minderjarige] alleen maar zal vergroten. Niet gesteld of gebleken is dat er zich na de bestreden beschikking een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die aanleiding geeft om de zorgregeling per direct te wijzigen. Ook is niet gebleken dat er overigens sprake is van een situatie, waarin van de moeder niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Voor een definitief oordeel over de zorgregeling is in het kader van deze voorlopige voorzieningsprocedure geen plaats.
4.6
Het hof zal, omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest en deze procedure hun kind betreft, de proceskosten compenseren. Dit betekent dat ieder de eigen kosten betaalt.

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, R. Prakke-Nieuwenhuizen en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.